| |
|
|
|
|
|
|
De Nederlanse
Flora en Faunawet
|
|
SNA Natuur
|
Op de Stichting Natuur
Anders Site vind U hier de Flora en Faunawet. De links op de site verwijzen
naar informatie op de site van het miniterie van Landbouw/Natuurbeheer en
Visserij te vinden op: http://www.minlnv.nl/
Wet van 25 mei 1998, houdende regels
ter bescherming van in het wild levende planten- en diersoorten
Artikel 1
- In deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
Onze Minister: Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;
Faunafonds: fonds, bedoeld in artikel 83;
dieren: dieren in al hun ontwikkelingsstadia, met uitzondering van eieren;
planten: planten in al hun ontwikkelingsstadia;
producten van dieren: dode dieren, delen van levende of dode dieren en
alle van dieren afgeleide producten, al dan niet in andere zaken vervat,
alsmede alle zaken waarvan uit een begeleidend document, de verpakking,
een merkteken of etiket of enige andere omstandigheid moet worden
aangenomen dat zij afgeleide producten of delen van dieren bevatten of
daaruit bestaan;
producten van planten: dode planten, delen van levende of dode planten en
alle van planten afgeleide producten, al dan niet in andere zaken vervat,
alsmede alle zaken waarvan uit een begeleidend document, de verpakking,
een merkteken of etiket of enige andere omstandigheid moet worden
aangenomen dat zij afgeleide producten of delen van planten bevatten of
daaruit bestaan;
beschermde inheemse plantensoort: plantensoort aangewezen krachtens
artikel 3;
beschermde inheemse diersoort: diersoort als bedoeld in artikel 4, eerste
lid, of aangewezen krachtens artikel 4, tweede of derde lid;
beschermde uitheemse plantensoort: plantensoort aangewezen krachtens
artikel 5;
beschermde uitheemse diersoort: diersoort aangewezen krachtens artikel 5;
wild: dieren behorende tot één der in artikel 32, eerste lid, bedoelde
diersoorten, die in de voor hun aard natuurlijke vrijheid leven;
jagen: bemachtigen, doden of het met het oog daarop opsporen van wild
alsmede het doen van pogingen daartoe;
jachthouder: degene die overeenkomstig het in de artikelen 33 of 34
bepaalde gerechtigd is tot het gehele of gedeeltelijke genot van de jacht;
jachtakte: akte als bedoeld in artikel 38, eerste lid, onderdeel a;
valkeniersakte: akte als bedoeld in artikel 38, eerste lid, onderdeel b;
kooikersakte: akte als bedoeld in artikel 38, eerste lid, onderdeel c;
jachtvogel: vogel met behulp waarvan de jacht krachtens artikel 50, eerste
lid, mag worden uitgeoefend;
grondgebruiker: degene die gerechtigd is de grond te gebruiken, hetzij als
eigenaar, hetzij krachtens een beperkt recht, hetzij krachtens een
pachtovereenkomst;
faunabeheereenheid: overeenkomstig artikel 29 erkend samenwerkingsverband
van jachthouders;
faunabeheerplan: overeenkomstig artikel 30 goedgekeurd faunabeheerplan;
jachtopzichter: degene die zorg draagt voor de bescherming van de
jachtbelangen van een jachthouder en tevens als buitengewoon
opsporingsambtenaar belast is met de opsporing van de bij of krachtens
deze wet strafbaar gestelde feiten en van de overige in de akte of
aanwijzing als bedoeld in artikel 142, tweede lid, van het Wetboek van
Strafvordering aangeduide strafbare feiten;
kooiker: degene die ingevolge het bepaalde in artikel 57 als zodanig is
geregistreerd.
- In deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt mede verstaan onder:
soort: ondersoort, geografisch onderscheiden populatie van een soort of
kruisingen;
planten: geënte planten;
dode dieren: geprepareerde dieren alsmede dieren die op enigerlei wijze
geschikt zijn gemaakt om duurzaam te worden bewaard;
dode planten: planten die op enigerlei wijze geschikt zijn gemaakt om
duurzaam te worden bewaard;
eieren: schalen van eieren;
grond: wateren;
veld: stranden, schorren, gorzen, kwelders, slikken, wadden, binnenwateren
en territoriale wateren alsmede wegen en paden, voorzover deze geacht
kunnen worden deel uit te maken van een voor de uitoefening van de jacht
bestemd of geschikt terrein;
binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen: iedere handeling
die is gericht op het bewerkstelligen van het binnen of buiten het
grondgebied van Nederland brengen;
ten verkoop aanbieden: elke handeling die redelijkerwijs als het ten
verkoop aanbieden kan worden uitgelegd waaronder het maken of doen maken
van handelspubliciteit en het uitnodigen tot zaken doen.
Artikel 2
- Een ieder neemt voldoende zorg in
acht voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun
directe leefomgeving.
- De zorg, bedoeld in het eerste lid,
houdt in ieder geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan
vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor flora
of fauna kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen
achterwege te laten voorzover zulks in redelijkheid kan worden gevergd,
dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden
gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voorzover die gevolgen niet
kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te
maken.
Artikel 3
- Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen als beschermde inheemse plantensoort worden aangewezen
plantensoorten die van nature in Nederland voorkomen en die:
- in hun voortbestaan worden
bedreigd of het gevaar lopen in hun voortbestaan te worden bedreigd;
- niet noodzakelijkerwijs in hun
voortbestaan worden bedreigd of dat gevaar lopen, doch ter bescherming
waarvan maatregelen noodzakelijk zijn ter voorkoming van overmatige
benutting;
- uit Nederland zijn verdwenen
doch ten aanzien waarvan gerede kans op terugkeer bestaat of
- zodanige gelijkenis vertonen
met soorten die zijn aangewezen op grond van het bepaalde in de
onderdelen a, b of c, dat aanwijzing ervan noodzakelijk is ter
bescherming van die soorten.
- De aanwijzing van een plantensoort
als beschermde inheemse plantensoort geschiedt in afwijking van het
bepaalde in het eerste lid bij ministeriële regeling indien die
aanwijzing noodzakelijk is ter uitvoering van internationale
verplichtingen of bindende besluiten van organen van de Europese Unie of
andere volkenrechtelijke organisaties.
Artikel 4
- Als beschermde inheemse diersoort
worden aangemerkt:
- alle van nature in Nederland
voorkomende soorten zoogdieren, met uitzondering van gedomesticeerde
dieren behorende tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen
soorten en met uitzondering van de zwarte rat, de bruine rat en de
huismuis;
- alle van nature op het Europese
grondgebied van de LidStaten van de Europese Unie voorkomende soorten
vogels met uitzondering van gedomesticeerde vogels behorende tot bij
algemene maatregel van bestuur aangewezen soorten;
- alle van nature in Nederland
voorkomende soorten amfibieën en reptielen en
- alle van nature in Nederland
voorkomende soorten vissen, met uitzondering van de soorten waarop de
Visserijwet 1963 van toepassing is.
- Als beschermde inheemse diersoort
kunnen voorts bij algemene maatregel van bestuur worden aangewezen
diersoorten die van nature in Nederland voorkomen en die:
- in hun voortbestaan worden
bedreigd of het gevaar lopen in hun voortbestaan te worden bedreigd;
- niet noodzakelijkerwijs in hun
voortbestaan worden bedreigd of dat gevaar lopen, doch ter bescherming
waarvan maatregelen noodzakelijk zijn ter voorkoming van overmatige
benutting;
- uit Nederland zijn verdwenen
doch ten aanzien waarvan gerede kans op terugkeer bestaat of
- zodanige gelijkenis vertonen
met soorten die zijn aangewezen op grond van het bepaalde in de
onderdelen a, b of c, dat aanwijzing ervan noodzakelijk is ter
bescherming van die soorten.
- De aanwijzing van een diersoort als
beschermde inheemse diersoort geschiedt in afwijking van het bepaalde in
het tweede lid bij ministeriële regeling indien die aanwijzing
noodzakelijk is ter uitvoering van internationale verplichtingen of
bindende besluiten van organen van de Europese Unie of andere
volkenrechtelijke organisaties.
- Onze Minister maakt in de
Staatscourant bekend welke de soorten, bedoeld in het eerste lid, zijn.
Artikel 5
- Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen als beschermde uitheemse plantensoort of beschermde uitheemse
diersoort worden aangewezen plantensoorten onderscheidenlijk diersoorten
die niet van nature in Nederland voorkomen en die:
- in hun voortbestaan worden
bedreigd of het gevaar lopen in hun voortbestaan te worden bedreigd,
dan wel die zodanige gelijkenis vertonen met bedoelde soorten dat
aanwijzing ervan noodzakelijk is ter bescherming van die soorten, of
- niet noodzakelijkerwijs in hun
voortbestaan worden bedreigd of dat gevaar lopen, doch ter bescherming
waarvan maatregelen noodzakelijk zijn ter voorkoming van overmatige
benutting, dan wel die zodanige gelijkenis vertonen met bedoelde
soorten dat aanwijzing ervan noodzakelijk is ter bescherming van die
soorten.
- De aanwijzing van een plantensoort
of van een diersoort als beschermde uitheemse plantensoort
onderscheidenlijk als beschermde uitheemse diersoort geschiedt in
afwijking van het bepaalde in het eerste lid bij ministeriële regeling
indien die aanwijzing noodzakelijk is ter uitvoering van internationale
verplichtingen of bindende besluiten van organen van de Europese Unie of
andere volkenrechtelijke organisaties.
- Bij de aanwijzing van soorten,
bedoeld in het eerste of tweede lid, worden deze soorten onderscheiden in
categorieën van soorten als bedoeld in onderdeel a onderscheidenlijk
onderdeel b van het eerste lid.
Artikel 6
Aanwijzingen van soorten als bedoeld in
de artikelen 3, 4 en 5, kunnen worden beperkt naar gelang van de
ontwikkelingsstadia van dieren en planten behorende tot die soorten. De
aanwijzingen kunnen voorts worden beperkt tot de onderscheiden producten van
dieren en planten, behorende tot de soorten bedoeld in de artikelen 3, 4 en 5.
Artikel 7
- Onze Minister stelt, mede ter
uitvoering van internationale verplichtingen of bindende besluiten van
organen van de Europese Unie of andere volkenrechtelijke organisaties,
lijsten vast van met uitroeiing bedreigde of speciaal gevaar lopende in
ons land van nature voorkomende planten- of diersoorten.
- Onze Minister bevordert in ieder
geval ten aanzien van soorten, vermeld op de lijsten, bedoeld in het
eerste lid, onderzoek en werkzaamheden, nodig voor bescherming en beheer.
- Tot de werkzaamheden, bedoeld in
het tweede lid, kan behoren het opstellen van beschermingsplannen.
- Onze Minister maakt de lijsten,
bedoeld in het eerste lid, bekend in de Staatscourant.
Paragraaf 1. Bepalingen betreffende
planten op hun groeiplaats
Artikel 8
Het is verboden planten, behorende tot
een beschermde inheemse plantensoort, te plukken, te verzamelen, af te
snijden, uit te steken, te vernielen, te beschadigen, te ontwortelen of op
enigerlei andere wijze van hun groeiplaats te verwijderen.
Paragraaf 2. Bepalingen betreffende
dieren in hun natuurlijke leefomgeving
Artikel 9
Het is verboden dieren, behorende tot een
beschermde inheemse diersoort, te doden, te verwonden, te vangen, te
bemachtigen of met het oog daarop op te sporen.
Artikel 10
Het is verboden dieren, behorende tot een
beschermde inheemse diersoort, opzettelijk te verontrusten.
Artikel 11
Het is verboden nesten, holen of andere
voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van dieren, behorende tot
een beschermde inheemse diersoort, te beschadigen, te vernielen, uit te halen,
weg te nemen of te verstoren.
Artikel 12
Het is verboden eieren van dieren,
behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te zoeken, te rapen, uit het
nest te nemen, te beschadigen of te vernielen.
Paragraaf 3. Bepalingen betreffende
het bezit, het vervoer en de handel
Artikel 13
- Het is verboden:
- planten of producten van
planten, of dieren dan wel eieren, nesten of producten van dieren,
behorende tot een beschermde inheemse of beschermde uitheemse
plantensoort onderscheidenlijk een beschermde inheemse of beschermde
uitheemse diersoort, of
- dieren behorende tot een niet
beschermde uitheemse diersoort, te koop te vragen, te kopen of te
verwerven, ten verkoop voorhanden of in voorraad te hebben, te
verkopen of ten verkoop aan te bieden, te vervoeren, ten vervoer aan
te bieden, af te leveren, te gebruiken voor commercieel gewin, te
huren of te verhuren, te ruilen of in ruil aan te bieden, uit te
wisselen of tentoon te stellen voor handelsdoeleinden, binnen of
buiten het grondgebied van Nederland te brengen of onder zich te
hebben.
- Onverminderd het bepaalde in het
vierde lid gelden de in het eerste lid genoemde verboden niet ten aanzien
van de in het eerste lid, onderdelen a en b, genoemde dieren indien deze:
- afkomstig zijn van een bij
algemene maatregel van bestuur aangewezen instelling;
- voorzover dat redelijkerwijs
technisch mogelijk is onderhuids zijn voorzien van een
elektrotechnische identificatie, en
- geen onaanvaardbaar risico
vormen voor de introductie van ziektes bij de inheemse fauna.
- Een aanwijzing van een instelling
als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, kan slechts plaatsvinden
indien:
- de instelling bij zijn
werkwijze met betrekking tot de in het eerste lid, onderdelen a en b,
genoemde dieren het voortbestaan van de in het wild levende diersoort
waartoe zij behoren niet in gevaar brengt en op een acceptabele wijze
het welzijn van de betrokken dieren in acht neemt;
- de bevoegde instantie van het
land waar de instelling is gevestigd, op schrift heeft verklaard dat
de instelling in staat is tot het in gevangenschap fokken van de
soort, en daartoe bevoegd is, en
- de export vanuit de instelling
slechts bestaat uit gefokte dieren.
- Met uitzondering van het verbod op
het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen, gelden de in
het eerste lid bedoelde verboden noch ten aanzien van planten of producten
van planten, noch ten aanzien van dieren of eieren, nesten of producten
van dieren behorende tot een beschermde uitheemse plantensoort
onderscheidenlijk een beschermde uitheemse diersoort, die is aangewezen om
redenen als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel b, indien kan
worden aangetoond dat zij:
- overeenkomstig het bij of
krachtens deze wet bepaalde in Nederland zijn gebracht of
- overeenkomstig de Wet bedreigde
uitheemse dier- en plantensoorten zijn verworven voor het tijdstip van
inwerkingtreding van dit artikel.
Paragraaf 4. Overige verbodsbepalingen
Artikel 14
- Het is verboden dieren of eieren
van dieren in de vrije natuur uit te zetten.
- Het is verboden planten behorende
tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen soorten in de vrije
natuur te planten of uit te zaaien.
- Het is verboden planten of dieren,
behorende tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen soorten, onder
zich te hebben, binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen,
te koop te vragen, te kopen of te verwerven, ten verkoop voorradig of
voorhanden te hebben, te verkopen of ten verkoop aan te bieden, te
vervoeren, ten vervoer aan te bieden of af te leveren, te gebruiken voor
commercieel gewin, te huren of te verhuren, te ruilen of in ruil aan te
bieden.
- Krachtens het tweede en derde lid
kunnen slechts worden aangewezen soorten die een gevaar kunnen opleveren
voor het voortbestaan van beschermde inheemse dier- of plantensoorten of
die aanmerkelijke verslechtering kunnen veroorzaken van omstandigheden die
voor het voortbestaan van die soorten noodzakelijk zijn.
- Het verbod, bedoeld in het eerste
lid, geldt niet voor het uitzetten van bij algemene maatregel van bestuur
aangewezen vissoorten, waarop de Visserijwet 1963 van toepassing is.
Artikel 15
- Het is verboden bij algemene
maatregel van bestuur aangewezen middelen die geschikt en bestemd zijn
voor het doden of vangen van dieren, onder zich te hebben, binnen of
buiten het grondgebied van Nederland te brengen, te koop te vragen, te
kopen of te verwerven, ten verkoop voorradig of voorhanden te hebben, te
verkopen of ten verkoop aan te bieden, te vervoeren, ten vervoer aan te
bieden of af te leveren, te gebruiken voor commercieel gewin, te huren of
te verhuren, te ruilen of in ruil aan te bieden.
- Het is verboden zich buiten
gebouwen te bevinden met bij algemene maatregel van bestuur aangewezen
middelen die geschikt zijn voor het doden of vangen van dieren, of met
materialen ter onmiddellijke vervaardiging van die middelen of van de
krachtens het eerste lid aangewezen middelen, indien redelijkerwijs moet
worden aangenomen dat die middelen of materialen voor het doden of vangen
van dieren zullen worden gebruikt.
- Bij een aanwijzing als bedoeld in
het eerste of tweede lid, wordt mede rekening gehouden met het belang te
voorkomen dat een onnodig grote inbreuk op het welzijn van het te doden of
te vangen dier wordt gemaakt.
Artikel 16
- Het is degene die niet voorzien is
van een jachtakte, verboden in het veld een geweer of een gedeelte van een
geweer te dragen tenzij hij uit andere hoofde tot het gebruik van een
geweer ter plaatse gerechtigd is.
- Het is degene die zich in het veld
ophoudt, verboden zich zonder gegronde reden met een fret, een buidel of
een kastval te bevinden op gronden, waarop hij niet bevoegd is van die
middelen gebruik te maken voor de uitoefening van de jacht of in verband
met beheer en bestrijding van schade als bedoeld in de artikelen 65, 67 en
68.
- Een ieder is verplicht te
verhinderen dat een dier dat hem toebehoort of onder zijn toezicht staat,
in het veld dieren opspoort, doodt, verwondt, vangt of bemachtigt.
Artikel 17
Bij algemene maatregel van bestuur kan in
het belang van de instandhouding van beschermde inheemse plantensoorten of
beschermde inheemse diersoorten het verrichten van bij die maatregel
aangewezen handelingen worden verboden of aan beperkingen worden gebonden,
voorzover die handelingen een ernstige bedreiging kunnen vormen voor planten
of dieren behorende tot die soorten, dan wel kunnen leiden tot aanmerkelijke
verslechtering van omstandigheden die voor het voortbestaan van die soorten
noodzakelijk zijn.
Artikel 18
- Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen ter uitvoering van internationale verplichtingen of van bindende
besluiten van organen van de Europese Unie of andere volkenrechtelijke
organisaties de verboden, bedoeld in de artikelen 8 tot en met 16, worden
gewijzigd en kunnen nieuwe verboden worden gesteld inzake de in die
artikelen geregelde onderwerpen.
- Een algemene maatregel van bestuur
als bedoeld in het eerste lid blijft, behoudens eerdere intrekking, van
kracht voor een termijn van ten hoogste één jaar, tenzij binnen die
termijn een wetsvoorstel dat hetzelfde onderwerp regelt, bij de Tweede
Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend. In dat geval blijft dat besluit
van kracht totdat bij wet in dat onderwerp is voorzien of totdat het
voorstel van wet wordt ingetrokken of één van beide Kamers der
Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen.
-
Paragraaf 1. De aanwijzing als beschermde
leefomgeving
Artikel 19
- Gedeputeerde staten kunnen een
plaats die van wezenlijke betekenis is als leefomgeving voor een
beschermde inheemse plantensoort of een beschermde inheemse diersoort, met
het oog op instandhouding van die plaats ten behoeve van die soort,
aanwijzen als beschermde leefomgeving. Het besluit bevat de kadastrale
aanduiding van de percelen waarop de aangewezen plaats is gelegen en gaat
vergezeld van een kaart waarop de plaats is aangegeven.
- Een plaats als bedoeld in het
eerste lid, kan niet worden aangewezen als beschermde leefomgeving, indien
die gelegen is in een krachtens de Natuurbeschermingswet aangewezen
beschermd natuurmonument of staatsnatuurmonument dan wel in een gebied
waarvan de aanwijzing als beschermd natuurmonument in overweging is
genomen.
Artikel 20
Een besluit tot aanwijzing van een plaats
als beschermde leefomgeving vermeldt handelingen die een aantasting van de
betekenis van de aangewezen plaats als leefomgeving van de in dat besluit
genoemde beschermde inheemse planten- of diersoort ten gevolge kunnen hebben.
Artikel 21
- Op de voorbereiding van een besluit
als bedoeld in artikel 19, eerste lid, is de in afdeling 3.4 van de
Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing.
- Onverminderd het bepaalde in
artikel 3:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht doen
gedeputeerde staten van een ontwerp van een besluit tot aanwijzing van een
plaats als beschermde leefomgeving onverwijld mededeling in de
Staatscourant. Voorts zenden zij het ontwerp in ieder geval aan Onze
Minister, aan de gebruiker van de percelen waarop de plaats waarop het
ontwerp betrekking heeft, is gelegen en, indien deze niet tevens eigenaar
is van die percelen, ook aan deze laatste, aan het dagelijks bestuur van
het waterschap, binnen welks grondgebied die plaats is gelegen alsmede aan
burgemeester en wethouders van de gemeente waarin die plaats is gelegen.
- In afwijking van artikel 3:13,
eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, kan een ieder zijn
zienswijze over het ontwerp bij gedeputeerde staten naar voren brengen.
Artikel 22
Gedeputeerde staten stellen de
provinciale planologische commissie in de gelegenheid advies uit te brengen
over het ontwerp van een besluit tot aanwijzing van een plaats als beschermde
leefomgeving en de daarover ontvangen zienswijzen.
Artikel 23
- Onverminderd het bepaalde in
afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht maken gedeputeerde staten
een besluit als bedoeld in artikel 19, eerste lid, bekend door
kennisgeving ervan in de Staatscourant.
- Zij doen voorts tegelijkertijd met
of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking mededeling van het besluit aan
Onze Minister en aan de personen en organen, bedoeld in artikel 21, tweede
lid, door toezending van het besluit.
Artikel 24
- In geval van dringende noodzaak
kunnen gedeputeerde staten gelijktijdig bij het vaststellen van het
ontwerp van een besluit tot aanwijzing van een plaats als beschermde
leefomgeving of op een nadien gelegen tijdstip, de plaats waarop dat
ontwerp betrekking heeft, aanwijzen als beschermde leefomgeving voor de
bij dat besluit genoemde beschermde inheemse plantensoort of beschermde
inheemse diersoort.
- Een besluit als bedoeld in het
eerste lid, vervalt zodra gedeputeerde staten op het ontwerp van een
besluit beslissen doch in ieder geval na verloop van een jaar na de
vaststelling van dat ontwerp.
- Op de bekendmaking van een besluit
als bedoeld in het eerste lid, is het bepaalde in artikel 23 van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 25
- Gedeputeerde staten kunnen de
aanwijzing van een plaats als beschermde leefomgeving geheel of
gedeeltelijk intrekken. De percelen waarop de intrekking betrekking heeft,
worden kadastraal omschreven. In geval van gedeeltelijke intrekking gaat
het besluit vergezeld van een kaart waarop is aangegeven op welk gedeelte
van de plaats de intrekking betrekking heeft.
- Het bepaalde in de artikelen 21, 22
en 23 is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een besluit als
bedoeld in het eerste lid.
- Een besluit houdende de aanwijzing
van een plaats als beschermde leefomgeving, vervalt met ingang van het
tijdstip waarop die plaats deel uitmaakt van een onherroepelijk aangewezen
beschermd natuurmonument of staatsnatuurmonument als bedoeld in de
Natuurbeschermingswet.
Paragraaf 2. Gevolgen van de aanwijzing
als beschermde leefomgeving
Artikel 26
- Degene die het voornemen heeft één
of meer van de in een besluit tot aanwijzing van een plaats als beschermde
leefomgeving krachtens artikel 20 vermelde handelingen te verrichten of te
doen verrichten, is verplicht van dat voornemen ten minste één maand,
doch niet langer dan één jaar voor de dag van de voorgenomen uitvoering
van die handeling of handelingen, kennis te geven aan gedeputeerde staten.
- Gedeputeerde staten kunnen
voorschriften verbinden aan het verrichten of doen verrichten van de
handelingen, bedoeld in het eerste lid, welke voorschriften er mede toe
kunnen strekken dat door die handelingen aangerichte schade aan de
beschermde leefomgeving op een door hen te bepalen wijze wordt hersteld.
- Het is verboden de in een besluit
tot aanwijzing van een plaats als beschermde leefomgeving krachtens
artikel 20 vermelde handelingen te verrichten of te doen verrichten.
- Het verbod, bedoeld in het derde
lid, geldt niet indien:
- een kennisgeving als bedoeld in
het eerste lid is gedaan;
- gedeputeerde staten niet
uiterlijk op de dag voorafgaand aan die waarop de uitvoering van de
voorgenomen handeling of handelingen zal plaatsvinden, schriftelijk
hebben meegedeeld bezwaar te hebben tegen de voorgenomen handeling of
handelingen en
- wordt gehandeld overeenkomstig
de door gedeputeerde staten krachtens het tweede lid gestelde
voorschriften.
- In afwijking van het bepaalde in
artikel 65 is het verrichten of doen verrichten van de in dat artikel
bedoelde handelingen, voorzover het handelingen betreft die krachtens
artikel 20 zijn vermeld in een besluit tot aanwijzing van een plaats als
beschermde leefomgeving, op een plaats waarvoor het rechtsgevolg, bedoeld
in het derde lid, is ingetreden, slechts toegestaan indien van het
voornemen daartoe op de in het eerste lid bepaalde wijze kennis is gegeven
aan gedeputeerde staten. Het tweede tot en met vierde lid zijn ten aanzien
van die handelingen van toepassing.
Artikel 27
Gedeputeerde staten doen de in artikel
26, vierde lid, onderdeel b, bedoelde mededeling indien het achterwege laten
van die mededeling strijd oplevert met internationale verplichtingen waaraan
de Nederlandse overheid is gebonden.
Paragraaf 3. Schadevergoeding
Artikel 28
Voorzover blijkt dat een belanghebbende
ten gevolge van de aanwijzing van een plaats als beschermde leefomgeving, een
mededeling, als bedoeld in artikel 26, vierde lid, onderdeel b, of
voorschriften als bedoeld in artikel 26, tweede lid, schade lijdt of zal
lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te
blijven, kennen gedeputeerde staten hem op zijn verzoek een naar billijkheid
te bepalen schadevergoeding toe.
Artikel 29
- Gedeputeerde staten kunnen
samenwerkingsverbanden van jachthouders erkennen als faunabeheereenheden
ten behoeve van:
- het beheer van diersoorten of
- de bestrijding van schade
aangericht door dieren.
- Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur worden regels gesteld waaraan samenwerkingsverbanden, bedoeld
in het eerste lid, dienen te voldoen teneinde voor erkenning in aanmerking
te kunnen komen.
- De regels, bedoeld in het tweede
lid, betreffen in ieder geval:
- de rechtsvorm van de
samenwerkingsverbanden;
- de omvang en begrenzing van het
gebied waarover zich de zorg van het samenwerkingsverband kan
uitstrekken;
- de jachtrechten in het gebied,
bedoeld onder b.
Artikel 30
- Voorzover krachtens de artikelen 67
of 68 faunabeheerplannen worden geëist, behoeven deze de goedkeuring van
gedeputeerde staten, gehoord het Faunafonds.
- Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur worden regels gesteld waaraan faunabeheerplannen dienen te
voldoen teneinde voor goedkeuring in aanmerking te kunnen komen.
- De regels, bedoeld in het tweede
lid, betreffen in ieder geval:
- de omvang en begrenzing van het
gebied waarop het faunabeheerplan betrekking heeft;
- het duurzaam beheer van
diersoorten in dat gebied;
- de aard, omvang en noodzaak van
de te verrichten handelingen ten aanzien van die diersoorten en
- de wijzen waarop en de perioden
waarin, onderscheiden naar die diersoorten, die handelingen worden
verricht.
- Faunabeheerplannen die de
goedkeuring van gedeputeerde staten behoeven, worden door gedeputeerde
staten voor een ieder ter inzage gelegd op het provinciehuis.
Artikel 31
- In afwijking van het bepaalde in
artikel 9 is het toegestaan te jagen op wild voorzover dit geschiedt in
overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de artikelen 32 tot en
met 59.
- Het bepaalde in artikel 10 is niet
van toepassing voorzover wild waarop het is toegestaan te jagen,
opzettelijk wordt verontrust bij de uitoefening van de jacht.
- Het bepaalde in artikel 16, derde
lid, is niet van toepassing bij de uitoefening van de jacht voorzover de
jacht is toegestaan met behulp van dieren.
Artikel 32
- Als wild worden de volgende
diersoorten aangewezen: haas (Lepus europaeus), fazant (Phasianus
colchicus), patrijs (Perdix perdix), wilde eend (Anas platyrhynchos),
konijn (Oryctolagus cuniculus) en houtduif (Columba palumbus).
- Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen de in het eerste lid gegeven omschrijvingen worden beperkt ter
uitvoering van internationale verplichtingen of bindende besluiten van
organen van de Europese Unie of andere volkenrechtelijke organisaties.
- De jacht wordt niet geopend op in
het eerste lid aangewezen diersoorten voorzover zij staan vermeld op een
door Onze Minister vastgestelde nationale lijst van met uitroeiing
bedreigde of speciaal gevaar lopende soorten.
Artikel 33
Gerechtigd tot het genot van de jacht is:
- de eigenaar van de grond indien
niet ingevolge het in onderdeel b of c bepaalde de erfpachter,
vruchtgebruiker, beklemde meier of pachter gerechtigd is tot het genot van
de jacht en voorzover het genot van de jacht niet is verhuurd;
- de erfpachter, vruchtgebruiker of
beklemde meier van de grond indien de eigenaar van de grond zich bij het
vestigen van het beperkt recht het genot van de jacht niet heeft
voorbehouden of de pachter ingevolge het in onderdeel c bepaalde niet
gerechtigd is tot het genot van de jacht en voorzover het genot van de
jacht niet is verhuurd;
- de pachter indien hij pacht van een
verpachter die ten tijde van het aangaan van de pachtovereenkomst
ingevolge het in onderdeel a of b bepaalde gerechtigd was tot het genot
van de jacht en die verpachter zich dit genot bij het aangaan van de
pachtovereenkomst niet heeft voorbehouden en voorzover het genot van de
jacht niet is verhuurd;
- de huurder van het genot van de
jacht voorzover hij dat overeenkomstig artikel 34, eerste lid, heeft
gehuurd en voorzover hij dat niet overeenkomstig het tweede lid van dat
artikel heeft verhuurd;
- de huurder van het genot van de
jacht voorzover hij dat overeenkomstig artikel 34, tweede lid, heeft
gehuurd.
Artikel 34
- Degene die ingevolge het bepaalde
in artikel 33, onderdeel a, b of c, gerechtigd is tot het genot van de
jacht, kan dat genot geheel of gedeeltelijk aan één ander verhuren, mits
bij een schriftelijke en gedagtekende huurovereenkomst.
- Degene die het gehele of
gedeeltelijke genot van de jacht op de in het eerste lid bepaalde wijze
heeft gehuurd, kan dat genot slechts in zijn geheel weder verhuren aan
één ander, mits met schriftelijke toestemming van de verhuurder en bij
schriftelijke en gedagtekende huurovereenkomst.
- Een overeenkomst als bedoeld in de
vorige leden, is nietig voorzover het genot van de jacht op de betreffende
grond reeds aan een ander is verhuurd of de verhuurder niet toekwam.
- De eigenaar of verpachter die zich
het genot van de jacht heeft voorbehouden, is niet bevoegd dit genot bij
een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid, geheel of gedeeltelijk te
verhuren, tenzij met toestemming van de grondgebruiker.
- Bij algemene maatregel van bestuur
worden regels gesteld ten aanzien van de duur waarvoor overeenkomsten als
bedoeld in de vorige leden, moeten worden aangegaan. Deze duur bedraagt
ten hoogste twaalf jaar.
Artikel 35
Voorzover en voor zolang het genot van de
jacht ten tijde van de eigendomsovergang van de grond, het vestigen dan wel
tenietgaan van een beperkt recht of het aangaan dan wel beëindigen van een
pachtovereenkomst op die grond, op de in artikel 34 bepaalde wijze is
verhuurd, blijft deze huurovereenkomst in stand.
Artikel 36
- De jachthouder kan, indien hij is
voorzien van een jachtakte of een valkeniersakte, aan anderen toestaan het
hem toekomende genot van de jacht in zijn gezelschap uit te oefenen.
- Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur worden regels gesteld op grond waarvan de jachthouder bij wege
van schriftelijke en gedagtekende toestemming de uitoefening, anders dan
in zijn gezelschap, van het hem toekomende genot van de jacht of een deel
daarvan kan toestaan aan de jachtopzichter of aan anderen.
Artikel 37
- De jachthouder is verplicht datgene
te doen wat een goed jachthouder betaamt om een redelijke stand van het in
zijn jachtveld aanwezige wild te handhaven dan wel, bij het ontbreken
daarvan, te bereiken en om schade door in zijn jachtveld aanwezig wild te
voorkomen.
- Het bevorderen van de wildstand
door middel van bijvoeren is verboden, behoudens bijzondere
weersomstandigheden als bedoeld in artikel 46, vijfde lid.
- Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het handhaven
van een redelijke wildstand.
Artikel 38
- Het is verboden te jagen zonder
voorzien te zijn van:
- een geldige jachtakte;
- een geldige valkeniersakte,
voorzover het betreft het jagen met één of meer jachtvogels;
- een geldige kooikersakte,
voorzover het betreft het jagen met een eendenkooi.
- Het model van de akten wordt door
Onze Minister vastgesteld.
Artikel 39
- Een jachtakte, valkeniersakte of
kooikersakte wordt geweigerd indien:
- de aanvrager de leeftijd van
achttien jaar nog niet heeft bereikt;
- de aanvrager niet genoegzaam
heeft aangetoond in de gelegenheid te zijn om met gebruikmaking van
een geweer of met een jachtvogel te jagen in een jachtveld, waarin hem
het genot van de jacht overeenkomstig de artikelen 33 of 34 toekomt of
waarin hem de uitoefening van dat genot overeenkomstig het bepaalde
bij of krachtens artikel 36 is toegestaan;
- de aanvrager niet heeft
aangetoond met gunstig gevolg een door Onze Minister erkend
jachtexamen te hebben afgelegd;
- de aanvrager geen geldig bewijs
van verzekering als bedoeld in artikel 54, zesde lid, heeft
overgelegd;
- er grond is om aan te nemen dat
de aanvrager van de bevoegdheid om te jagen of, voorzover van
toepassing, van de bevoegdheid om wapens of munitie voorhanden te
hebben, misbruik zal maken of hierdoor een gevaar voor zichzelf, de
openbare orde of de veiligheid kan gaan vormen;
- er grond is om aan te nemen dat
de aanvrager nalatig zal zijn te doen wat een goed jager betaamt bij
de uitoefening van de jacht;
- aan de aanvrager de bevoegdheid
om te jagen is ontzegd bij een rechterlijke uitspraak, welke voor
tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, en de tijd, voor welke die
bevoegdheid is ontzegd, nog niet is verstreken of
- de aanvrager in de twee jaren,
voorafgaande aan het verzoek tot het verkrijgen van een jachtakte,
valkeniersakte of kooikersakte wegens één der bij of krachtens deze
wet strafbaar gestelde feiten, dan wel wegens een feit strafbaar
gesteld bij de Wet op de dierenbescherming of de Gezondheids- en
welzijnswet voor dieren voorzover het gedragingen als bedoeld in
hoofdstuk III van die wet, betreft, is veroordeeld of indien hij de
vervolging deswege overeenkomstig de bepalingen van artikel 74 van het
Wetboek van Strafrecht heeft voorkomen.
- Het bepaalde in het eerste lid,
onderdeel d, is niet van toepassing voorzover de aanvrage een
valkeniersakte betreft.
- Het bepaalde in het eerste lid,
onderdelen b en d, is niet van toepassing voorzover de aanvrage een
kooikersakte betreft.
Artikel 40
- Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur worden de eisen vastgesteld, waaraan het in artikel 39, eerste
lid, onderdeel c, bedoelde examen moet voldoen om te worden erkend. Deze
eisen worden verschillend vastgesteld naar gelang het betreft de jacht met
het geweer, met jachtvogels of met de eendenkooi.
- In afwijking van het bepaalde in
artikel 39, eerste lid, aanhef en onderdeel c, is het afleggen van een
jachtexamen niet vereist indien de aanvrager met gunstig gevolg een door
de bevoegde autoriteit van een andere staat erkend jachtexamen heeft
afgelegd en dat examen door Onze Minister als gelijkwaardig aan het in het
eerste lid bedoelde jachtexamen is erkend.
Artikel 41
- Een jachtakte, valkeniersakte of
kooikersakte wordt in ieder geval ingetrokken indien:
- de ter verkrijging van de akte
verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat, waren
de juiste gegevens verstrekt, de akte zou zijn geweigerd;
- blijkt dat de burgerrechtelijke
aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 54, eerste lid, niet langer
overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens dat artikel is gedekt of
- de houder misbruik heeft
gemaakt van wapens of munitie dan wel van de bevoegdheid om wapens of
munitie voorhanden te hebben, of indien er anderszins aanwijzingen
zijn dat aan hem het voorhanden hebben van wapens en munitie niet
langer kan worden toevertrouwd.
- Een jachtakte, valkeniersakte of
kooikersakte kan worden ingetrokken indien:
- er grond is om aan te nemen dat
de houder van zijn bevoegdheid om te jagen misbruik maakt of
- de houder nalatig is te doen
wat een goed jager betaamt bij de uitoefening van de jacht.
- De valkeniersakte kan voorts worden
ingetrokken indien een ontheffing als bedoeld in artikel 75, derde lid, om
jachtvogels onder zich te hebben, is ingetrokken.
- Het bepaalde in het eerste lid,
aanhef en de onderdelen b en c, is niet van toepassing ten aanzien van de
valkeniersakte of de kooikersakte.
Artikel 42
- De bevoegdheid tot het nemen van
beschikkingen omtrent het verlenen van jachtakten berust bij de korpschef
van het regionale politiekorps in de regio, waarin de woonplaats van de
aanvrager is gelegen, of, indien deze niet woonachtig is in Nederland, bij
de korpschef van het politiekorps in de regio Haaglanden.
- De bevoegdheid tot het nemen van
beschikkingen tot intrekking van jachtakten berust bij de korpschef die de
akte heeft verleend.
- De in het tweede lid bedoeld
bevoegdheid komt tevens toe aan Onze Minister van Justitie in gevallen als
bedoeld in artikel 41, eerste lid, onderdeel c.
- Tegen beschikkingen van de
korpschef als bedoeld in het eerste en tweede lid staat administratief
beroep open bij Onze Minister van Justitie indien de jachtakte is
geweigerd of ingetrokken om redenen als bedoeld in artikel 39, eerste lid,
aanhef en onderdeel e, onderscheidenlijk artikel 41, eerste lid, aanhef en
onderdeel c.
Artikel 43
De bevoegdheid tot het nemen van
beschikkingen omtrent het verlenen en intrekken van valkeniersakten en
kooikersakten berust bij Onze Minister.
Artikel 44
Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur worden nadere regels gesteld betreffende de akten, bedoeld in artikel
38. Tot deze regels behoren in ieder geval regels betreffende het betalen van
een voor een akte verschuldigde geldsom waarvan de hoogte bij of krachtens die
maatregel wordt vastgesteld, en betreffende de geldigheid en de inlevering van
de akten.
Artikel 45
- In afwijking van het bepaalde in
artikel 39, eerste lid, aanhef en onderdeel c, kan degene die geen
woonplaats in Nederland heeft een jachtakte of een valkeniersakte
verkrijgen, die geldig is gedurende zes opeenvolgende in de akte vermelde
dagen.
- Een akte als bedoeld in het eerste
lid wordt slechts verleend indien de aanvrager genoegzaam aantoont dat hij
gerechtigd is te jagen in het land waarin hij zijn woon- of verblijfplaats
heeft.
- De in het eerste lid bedoelde akten
zijn slechts geldig indien de houder zich bevindt in gezelschap van een in
Nederland woonachtige houder van een geldige akte.
Artikel 46
- Bij ministeriële regeling wordt
bepaald in hoeverre de jacht op wild zal zijn geopend.
- De jacht wordt niet geopend
gedurende het tijdvak van 1 februari tot 15 augustus, tenzij er naar het
oordeel van Onze Minister geen andere bevredigende oplossing bestaat dan
het openstellen van de jacht met het oog op bij algemene maatregel van
bestuur aangewezen belangen.
- De jacht wordt niet geopend in de
volgende gebieden of categorieën van gebieden:
- gebieden die krachtens de
Natuurbeschermingswet zijn aangewezen als beschermd natuurmonument of
staatsnatuurmonument dan wel gebieden waarvan de aanwijzing als
beschermd natuurmonument in overweging is genomen;
- gebieden die krachtens de op 2
februari 1971 te Ramsar tot stand gekomen Overeenkomst inzake
watergebieden van internationale betekenis, in het bijzonder als
verblijfplaats voor watervogels (Trb. 1975, 84), zijn aangemeld als
watergebied van internationale betekenis;
- gebieden die krachtens
richtlijn nr. 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen
van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (PbEG L 103) zijn
aangewezen als speciale beschermingszone.
- Ter uitvoering van internationale
verplichtingen of bindende besluiten van organen van de Europese Unie of
andere volkenrechtelijke organisaties kan bij algemene maatregel van
bestuur worden bepaald in hoeverre de jacht slechts zal kunnen worden
geopend.
- Gedeputeerde staten kunnen, zolang
bijzondere weersomstandigheden dat naar hun oordeel met het oog op de
instandhouding van wild vergen, de jacht voor de hele provincie of een
deel daarvan, voor een bepaalde tijd sluiten.
Artikel 47
De jager dient het wild tegen onnodig
lijden als gevolg van de uitoefening van de jacht te beschermen.
Artikel 48
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen
regels worden gesteld omtrent hetgeen een goed jager betaamt bij de
uitoefening van de jacht.
Artikel 49
Bij algemene maatregel van bestuur worden
regels gesteld met betrekking tot de eisen waaraan jachtvelden waarop het
genot van de jacht mag worden uitgeoefend, moeten voldoen.
Artikel 50
- Tot jagen geoorloofde middelen
zijn:
- geweren;
- honden, niet zijnde lange
honden;
- gefokte jachtvogels, te weten
slechtvalken (Falco peregrinus) en haviken (Accipiter gentilis);
- eendenkooien;
- lokeenden of lokduiven, mits
niet blind of verminkt;
- fretten;
- buidels.
- Bij algemene maatregel van bestuur
kan het gebruik van de in het eerste lid genoemde middelen worden
uitgesloten of beperkt. Daarbij kunnen tevens regels worden gesteld
betreffende de eisen waaraan die middelen dienen te voldoen, alsmede
betreffende het gebruik van munitie, waarbij ook rekening kan worden
gehouden met belangen van veiligheid, volksgezondheid, welzijn en milieu.
- Het is verboden zich ter
uitoefening van de jacht in het veld te bevinden met andere dan tot jagen
geoorloofde middelen.
- Degene die zich in het veld bevindt
met een of meer tot jagen geoorloofde middelen, bedoeld in het eerste lid,
alsmede met andere middelen waarmede kan worden gejaagd, wordt geacht zich
daarmede ter uitoefening van de jacht in het veld te bevinden tenzij het
tegendeel blijkt.
Artikel 51
Het is de houder van een jachtakte
verboden een geweer te dragen op gronden waarop hij niet tot het gebruik van
een geweer gerechtigd is.
Artikel 52
Onverminderd het bepaalde bij of
krachtens de artikelen 65 tot en met 70 en 72, is het de houder van een
jachtakte of valkeniersakte slechts toegestaan gebruik te maken van geweren of
jachtvogels voor het uitoefenen van de jacht of het schieten van kleiduiven.
Artikel 53
- Het is verboden te jagen:
- op wild waarop de jacht niet is
geopend of in strijd met beperkingen waaronder krachtens artikel 46 de
jacht is geopend;
- met andere dan de tot jagen
geoorloofde middelen, bedoeld in artikel 50, eerste lid;
- met een geweer of een
jachtvogel in een jachtveld dat niet voldoet aan de krachtens artikel
49 gestelde regels;
- op zondagen, de nieuwjaarsdag,
de tweede paas- en pinksterdag, de beide kerstdagen en de
hemelvaartsdag;
- op begraafplaatsen;
- voor zonsopgang en na
zonsondergang;
- indien de grond met sneeuw is
bedekt;
- op wild dat zich ten gevolge
van hoge waterstand ophoudt op hoog gelegen gedeelten van het terrein;
- op wild voorzover dat zich
bevindt in of in de nabijheid van wakken of bijten in het ijs;
- op wild voorzover dat als
gevolg van onvoldoende bevedering niet in staat is te vliegen;
- op wild dat als gevolg van
weersomstandigheden in uitgeputte toestand verkeert;
- binnen een straal van 200 meter
rond plaatsen waar voer of aas is of wordt verstrekt met als oogmerk
wild te lokken;
- met het geweer in de bebouwde
kommen der gemeenten en in de onmiddellijk aan die kommen grenzende
terreinen;
- vanaf of vanuit een
motorrijtuig dan wel een ander voertuig;
- vanaf of vanuit een vaartuig;
- vanuit een luchtvaartuig;
- met een geweer binnen de
afpalingskring van een geregistreerde eendenkooi;
voorzover bij of krachtens algemene maatregel van bestuur niet anders
bepaald.
- Bij algemene maatregel van bestuur
kan de uitoefening van de jacht aan andere beperkingen dan bepaald in het
eerste lid, worden gebonden voorzover dit noodzakelijk is ter uitvoering
van internationale verplichtingen of bindende besluiten van organen van de
Europese Unie of andere volkenrechtelijke organisaties, of indien dit
noodzakelijk is in verband met de instandhouding van wild of de
veiligheid.
- Ieder, die door middel van een
geregistreerde eendenkooi dieren, behorend tot soorten waarop met een
eendenkooi mag worden gejaagd, heeft gevangen, is verplicht die dieren,
tenzij zij na het vangen terstond worden gedood, onverwijld in vrijheid te
stellen.
Artikel 54
- Degene die met een geweer jaagt, is
gehouden er zorg voor te dragen dat zijn burgerrechtelijke
aansprakelijkheid voor schade waartoe het verrichten van die handelingen
met gebruikmaking van een geweer aanleiding kan geven door een verzekering
is gedekt in overeenstemming met de bij of krachtens deze wet gestelde
regels. De in de vorige zin bedoelde verzekeringsplicht betreft niet de
aansprakelijkheid welke voor de jachthouder kan voortvloeien uit het
niet-nakomen van de verplichting als bedoeld in artikel 37.
- De verzekering moet de
burgerrechtelijke aansprakelijkheid, bedoeld in het eerste lid, dekken van
de houder van de jachtakte alsmede van ieder die in zijn gezelschap met
een geweer jaagt, voorzover deze niet uit eigen hoofde een jachtakte
behoeft.
- De verzekering moet niet alleen
dekken de aansprakelijkheid van de verzekerden jegens derden, maar ook de
aansprakelijkheid van de verzekerden jegens elkaar.
- De verzekering moet de
aansprakelijkheid dekken ter zake van voorvallen, welke plaatsvinden
gedurende een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen periode. De
verplichtingen van de verzekeraar jegens de benadeelde eindigen slechts
door verloop van de in de vorige zin bedoelde periode.
- Bij algemene maatregel van bestuur
worden nadere regels gesteld met betrekking tot de verzekering en wordt
een bedrag vastgesteld waarboven de verzekeringsplicht zich niet
uitstrekt.
- De verzekeraar geeft aan de
verzekerde een bewijs van de verzekering af, dat de aansprakelijkheid van
de verzekerde overeenkomstig de bij en krachtens deze wet gestelde regels
is gedekt. Onze Minister stelt het model van dit bewijs vast.
Artikel 55
- De benadeelde heeft jegens de
verzekeraar, door wie de aansprakelijkheid volgens deze wet is gedekt, een
eigen recht op schadevergoeding tot het beloop van het in artikel 54,
vijfde lid, bedoelde bedrag. Het teniet gaan van zijn schuld aan de
verzekerde bevrijdt de verzekeraar niet jegens de benadeelde, tenzij deze
schadeloos is gesteld.
- Indien er bij een ongeval meer dan
één benadeelde is en het totaalbedrag van de verschuldigde
schadeloosstellingen de verzekerde som overschrijdt, worden de rechten van
de benadeelden tegen de verzekeraar naar evenredigheid teruggebracht tot
het beloop van die som. Niettemin blijft de verzekeraar die, onbekend met
het bestaan van vorderingen van andere benadeelden, te goeder trouw aan
een benadeelde een groter bedrag dan het aan deze toekomende heeft
uitgekeerd, jegens die anderen slechts gehouden tot het beloop van het
overblijvende gedeelte van de verzekerde som.
- Geen uit de wettelijke bepalingen
omtrent de verzekeringsovereenkomst of uit deze overeenkomst zelf
voortvloeiende nietigheid, verweer of verval kan door een verzekeraar aan
een benadeelde worden tegengeworpen. De verzekeraar die ingevolge deze wet
de schade van een benadeelde geheel of ten dele vergoedt, ofschoon de
aansprakelijkheid voor die schade niet door een met hem gesloten
overeenkomst was gedekt, heeft voor het bedrag der schadevergoeding
verhaal op de aansprakelijke persoon.
- Indien de overeenkomst een beding
inhoudt dat de verzekerde persoonlijk voor een deel in de vergoeding van
de schade zal bijdragen, blijft de verzekeraar niettemin jegens de
benadeelde gehouden tot betaling van de schadeloosstelling die krachtens
de overeenkomst ten laste van de verzekerde blijft.
- Iedere uit deze wet voortvloeiende
rechtsvordering van de benadeelde tegen de verzekeraar verjaart door
verloop van drie jaar te rekenen vanaf de datum van het feit waaruit de
schade is ontstaan. Handelingen die de verjaring van de rechtsvordering
van een benadeelde tegen een verzekerde stuiten, stuiten tevens de
verjaring van de rechtsvordering van die benadeelde tegen de verzekeraar.
Handelingen die de verjaring van de rechtsvordering van de benadeelde
tegen de verzekeraar stuiten, stuiten tevens de verjaring van de
rechtsvordering van de benadeelde tegen de verzekerde. De verjaring wordt
ten opzichte van een verzekeraar gestuit door iedere onderhandeling tussen
de verzekeraar en de benadeelde. Een nieuwe termijn van drie jaar begint
te lopen te rekenen vanaf het ogenblik waarop een van de partijen bij
deurwaardersexploit of aangetekende brief aan de andere partij heeft
kennis gegeven dat zij de onderhandelingen afbreekt.
- De verzekerde moet aan de
verzekeraar mededeling doen van ieder ongeval, dat aanleiding kan geven
tot aansprakelijkheid van de verzekerde voor de bij dat ongeval verzekerde
schade en waaruit voor de verzekeraar op grond van het eerste lid van dit
artikel een verplichting tot schadevergoeding jegens de benadeelde zou
kunnen ontstaan. De verzekeringnemer moet aan de verzekeraar alle door de
verzekeringsovereenkomst voorgeschreven inlichtingen en bescheiden
verschaffen. De overige verzekerden moeten aan de verzekeraar op zijn
verzoek alle nodige inlichtingen en bescheiden verschaffen.
Artikel 56
- Eendenkooien die voldoen aan bij
algemene maatregel van bestuur te stellen regels en die op 1 april 1984
waren geregistreerd, worden op verzoek van de eigenaar elke vijf jaar
opnieuw geregistreerd.
- De in het eerste lid bedoelde
registratie, waarvan een bewijs wordt verstrekt, geldt voor vijf jaar, en
wel van 1 april tot 1 april.
Artikel 57
Bij de registratie worden tevens
geregistreerd de naam en het adres van de houder of houders van een
kooikersakte, die volgens opgave van de eigenaar als kooikers zullen optreden.
Artikel 58
Gedurende het tijdvak waarin de jacht op
eenden ingevolge het bepaalde krachtens artikel 46 is gesloten, is het
verboden een geregistreerde eendenkooi vangklaar te houden.
Artikel 59
- Onze Minister stelt het opschrift
vast dat dient te worden aangebracht op de palen waarmee de eigenaar van
een geregistreerde eendenkooi de ingevolge zijn recht op afpaling
bestaande afpalingskring van die kooi kan afpalen.
- Het is ieder ander dan de kooiker
van een geregistreerde eendenkooi of degene die handelt met toestemming
van die kooiker, verboden binnen de afpalingskring van die kooi
handelingen te verrichten waardoor eenden binnen de afpalingskring kunnen
worden verontrust.
- Het verbod, bedoeld in het tweede
lid, is niet van toepassing op handelingen verricht ter uitvoering van
openbare werken noch op handelingen verricht bij het gebruik en onderhoud
van hetgeen door die werken is tot stand gebracht, noch op handelingen
verricht ter uitoefening van beroep of bedrijf, indien redelijkerwijs niet
kan worden gevergd dat de handelingen niet of op andere wijze dan wel op
een ander tijdstip kunnen worden verricht.
- Degene die opdracht heeft gegeven
tot uitvoering van de in het vorige lid bedoelde openbare werken, is
verplicht de schade, welke uit de daartoe noodzakelijke handelingen voor
het gebruik van de eendenkooi voortvloeit, aan de benadeelde te vergoeden.
- Het verbod, gesteld in het tweede
lid, geldt niet, voorzover op 1 april 1977 een recht op afpaling niet
bestond.
Paragraaf 1. Kievitseieren
Artikel 60
- Voorzover naar het oordeel van Onze
Minister de belangen van natuurbehoud zich daartegen niet verzetten, kan
Onze Minister een periode liggende tussen 1 maart en 9 april vaststellen,
waarbinnen gedeputeerde staten aan samenwerkingsverbanden van
weidevogelbeschermers die overeenkomstig het tweede lid zijn erkend,
ontheffing kunnen verlenen van het verbod van artikel 12 ten behoeve van
het zoeken en rapen van eieren van de kievit (Vanellus vanellus).
- Gedeputeerde staten kunnen
samenwerkingsverbanden van weidevogelbeschermers erkennen indien zij
voldoen aan bij ministeriële regeling gestelde regels. Deze regels
betreffen in ieder geval:
- de rechtsvorm van de
samenwerkingsverbanden en
- de omvang en begrenzing van het
gebied waarover zich de zorg van het samenwerkingsverband kan
uitstrekken.
- Aan een ontheffing als bedoeld in
het eerste lid wordt het voorschrift verbonden dat degene die eieren zoekt
en raapt, de nesten en legsels van weidevogels beschermt, dan wel ervoor
zorgdraagt dat deze worden beschermd. Overige voorschriften en beperkingen
kunnen in ieder geval inhouden:
- het voorschrift dat het zoeken
en rapen van kievitseieren op eens anders grond buiten
tegenwoordigheid van de gebruiker van die grond slechts is toegestaan
indien de gebruiker van de grond hiervoor schriftelijk toestemming
heeft verleend en
- de beperking dat het zoeken en
rapen van kievitseieren slechts gedurende een deel van de in het
eerste lid bedoelde periode is toegestaan.
- Bij ministeriële regeling kunnen
nadere regels worden gesteld met betrekking tot voorschriften en
beperkingen waaronder de in het eerste lid bedoelde ontheffingen kunnen
worden verleend.
- Het is verboden zich bij het zoeken
en rapen van kievitseieren door één of meer honden te doen vergezellen.
Artikel 61
- In afwijking van de verboden,
bedoeld in artikel 13, eerste lid, is het toegestaan met inachtneming van
het bepaalde in het tweede lid, eieren van kieviten onder zich te hebben,
te vervoeren of af te leveren.
- Het vervoeren of afleveren van de
in het eerste lid bedoelde eieren is slechts toegestaan voorzover de
eieren zijn verkregen overeenkomstig een ontheffing als bedoeld in artikel
60, eerste lid, en slechts gedurende de voor de betrokken eieren
toegestane raaptijd of de twee daarop volgende dagen, met dien verstande
dat het vervoeren van de eieren gedurende deze twee dagen slechts binnen
de bebouwde kom van gemeenten of langs openbare wegen of paden is
toegestaan.
Paragraaf 2. Het prepareren
Artikel 62
- Het is verboden dode dieren,
behorende tot soorten waarop deze wet van toepassing is, te prepareren
zonder voorzien te zijn van een vergunning van Onze Minister.
- Een vergunning als bedoeld in het
eerste lid, wordt door Onze Minister afhankelijk gesteld van het met
gunstig gevolg afgelegd hebben van een door Onze Minister erkend
preparateursexamen. Het bepaalde in artikel 40, eerste lid, is ten aanzien
van dat examen van overeenkomstige toepassing.
- Het aantal vergunningen kan bij
algemene maatregel van bestuur aan een maximum worden gebonden.
- Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen diersoorten worden aangewezen ten aanzien waarvan het verbod,
bedoeld in het eerste lid, niet geldt.
Artikel 63
- Bij algemene maatregel van bestuur
kan, in afwijking van de verboden, bedoeld in artikel 13, eerste lid, het
onder zich hebben, het vervoeren, het afleveren of het binnen of buiten
het grondgebied van Nederland brengen van ter preparatie bestemde dode
dieren of geprepareerde dieren worden toegestaan overeenkomstig bij die
maatregel gestelde regels.
- Tot de regels, bedoeld in het
eerste lid, behoren in ieder geval verplichtingen voor de houder van een
vergunning bedoeld in artikel 62, eerste lid, tot:
- het aanbrengen van ringen of
merktekens aan de ter preparatie aangeboden en geprepareerde dieren;
- het houden van een registratie
van de ter preparatie ontvangen en geprepareerde dieren alsmede van de
namen en adressen van degenen van wie deze dieren zijn ontvangen en
aan wie zij zijn geleverd;
- onderzoek van ter preparatie
aangeboden dieren en
- het doen van periodiek verslag
aan Onze Minister.
- Voorzover aan een onderzoek,
bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, kosten zijn verbonden, komen deze
voor rekening van de houder van een vergunning als bedoeld in artikel 62,
eerste lid, of van degene die aan hem dieren ter preparatie aanbiedt.
- Ter uitvoering van internationale
verplichtingen of van bindende besluiten van organen van de Europese Unie
of andere volkenrechtelijke organisaties kan bij de regels, bedoeld in het
eerste lid, tevens worden bepaald dat het verrichten van in het eerste lid
genoemde handelingen slechts kan worden toegestaan bij vergunning.
Artikel 64
- Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen diersoorten worden aangewezen die uit het oogpunt van natuurbehoud
niet mogen worden geprepareerd.
- Het prepareren van dieren,
behorende tot soorten, aangewezen krachtens het eerste lid, is verboden.
Paragraaf 3. Beheer en bestrijding van
schade
Artikel 65
- Bij algemene maatregel van bestuur
worden beschermde inheemse diersoorten aangewezen, die niet in hun
voortbestaan worden bedreigd of dat gevaar lopen. Daarbij wordt
onderscheid gemaakt tussen soorten die:
- in het gehele land veelvuldig
belangrijke schade aanrichten;
- in delen van het land
veelvuldig belangrijke schade aanrichten.
- Slechts wanneer er geen andere
bevredigende oplossing bestaat en indien geen afbreuk wordt gedaan aan een
gunstige staat van instandhouding van de soort, kan de aanwijzing bedoeld
in het eerste lid worden gedaan ter voorkoming van belangrijke schade aan
gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren.
- Voorzover overeenkomstig het eerste
lid, onderdeel a, soorten zijn aangewezen, kan bij ministeriële regeling
worden toegestaan dat de grondgebruiker, in afwijking van de artikelen 9,
10, 11 en 12, handelingen, bedoeld in die artikelen, verricht op de door
hem gebruikte gronden of in of aan door hem gebruikte opstallen.
- Voorzover overeenkomstig het eerste
lid, onderdeel b, soorten zijn aangewezen, kan bij provinciale verordening
worden toegestaan dat de grondgebruiker, in afwijking van de artikelen 9,
10, 11 en 12, handelingen, bedoeld in die artikelen, verricht op de door
hem gebruikte gronden of in of aan door hem gebruikte opstallen.
- Slechts wanneer er geen andere
bevredigende oplossing bestaat en indien geen afbreuk wordt gedaan aan een
gunstige staat van instandhouding van de soort, kan het krachtens het
derde en vierde lid worden toegestaan de in die leden bedoelde handelingen
te verrichten ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee,
bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren.
- De grondgebruiker kan bij
schriftelijke toestemming het hem ingevolge het derde of vierde lid
toekomende recht door anderen doen uitoefenen. Indien die toestemming
wordt verleend aan een houder van een jachtakte of valkeniersakte is deze
gerechtigd, behalve de middelen, bedoeld in artikel 72, eerste lid, tevens
de middelen te gebruiken waarvan hem het gebruik is toegestaan.
- Voorzover krachtens het derde en
vierde lid regels zijn gesteld, is nietig elk beding dat de grondgebruiker
de uitoefening belet van de rechten die hem krachtens die regels toekomen.
- Een algemene maatregel van bestuur
als bedoeld in het eerste lid wordt telkenmale vastgesteld voor een
periode van ten hoogste twee jaren.
- Alvorens Ons een voordracht tot
vaststelling, wijziging of intrekking van een algemene maatregel van
bestuur als bedoeld in het eerste lid te doen, stelt Onze Minister het
Faunafonds in de gelegenheid over het ontwerp daarvan zijn oordeel te
geven.
- Alvorens een ministeriële regeling
als bedoeld in het derde lid of een provinciale verordening als bedoeld in
het vierde lid vast te stellen, te wijzigen of in te trekken, stelt Onze
Minister onderscheidenlijk het provinciaal bestuur het Faunafonds in de
gelegenheid over het ontwerp daarvan zijn oordeel te geven.
Artikel 66
Het bepaalde in artikel 65 is van
overeenkomstige toepassing voor de gebruiker van opstallen, niet zijnde
grondgebruiker, voorzover het de door hem gebruikte opstallen en de daarbij
behorende erven betreft.
Artikel 67
- Gedeputeerde staten kunnen bepalen
dat, wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat, in afwijking
van het bepaalde in de artikelen 9, 11, 12, 50, 51 en 53, door door hen
aan te wijzen personen of categorieën van personen de stand van bij
ministeriële regeling aangewezen beschermde inheemse diersoorten of
andere diersoorten of verwilderde dieren op door gedeputeerde staten aan
te wijzen gronden kan worden beperkt:
- in het belang van de
volksgezondheid en openbare veiligheid;
- in het belang van de veiligheid
van het luchtverkeer;
- ter voorkoming van belangrijke
schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren
of
- ter voorkoming van schade aan
flora en fauna.
- Voorzover het beschermde inheemse
diersoorten betreft, kan een bepaling als bedoeld in het eerste lid
slechts worden getroffen indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige
staat van instandhouding van de soort.
- Gedeputeerde staten kunnen hun
besluit, bedoeld in het eerste lid, afhankelijk stellen van een
faunabeheerplan.
- Gedeputeerde staten kunnen ten
aanzien van één of meer van de door hen krachtens het eerste lid
aangewezen personen of categorieën van personen bepalen dat zij toegang
hebben tot alle krachtens het eerste lid aangewezen gronden. In dat geval
zijn deze personen gerechtigd zich daartoe zonodig met behulp van de
sterke arm toegang te verschaffen.
- Gedeputeerde staten kunnen bepalen
hetgeen met de ingevolge het eerste lid bemachtigde dieren dient te
geschieden.
- Bij een regeling als bedoeld in het
eerste lid, kan worden bepaald dat het verboden is dieren behorende tot
een krachtens dat lid aangewezen soort onder zich te hebben.
- Alvorens een ministeriële regeling
als bedoeld in het eerste lid vast te stellen, te wijzigen of in te
trekken, stelt Onze Minister het Faunafonds in de gelegenheid over het
ontwerp daarvan zijn oordeel te geven.
Artikel 68
- Wanneer er geen andere bevredigende
oplossing bestaat en indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige
staat van instandhouding van de soort, kunnen gedeputeerde staten,
voorzover niet bij of krachtens enig ander artikel van deze wet
vrijstelling is of kan worden verleend, ten aanzien van beschermde
inheemse diersoorten, het Faunafonds gehoord, ontheffing verlenen van het
bepaalde bij of krachtens de artikelen 9 tot en met 18 en 72, vijfde lid:
- in het belang van de
volksgezondheid en openbare veiligheid;
- in het belang van de veiligheid
van het luchtverkeer;
- ter voorkoming van belangrijke
schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren;
- ter voorkoming van schade aan
flora en fauna of
- met het oog op andere, bij
algemene maatregel van bestuur aan te wijzen, belangen.
- De ontheffing, bedoeld in het
eerste lid, wordt slechts verleend aan een faunabeheereenheid op basis van
een faunabeheerplan.
- Onverminderd het bepaalde in
artikel 80, onderdeel e, worden ontheffingen als bedoeld in het eerste
lid, verleend voor een periode van ten hoogste vijf jaren.
- In afwijking van het tweede lid kan
de ontheffing, bedoeld in het eerste lid, ook aan anderen dan een
faunabeheereenheid worden verleend indien:
- de noodzaak ontbreekt voor een
faunabeheerplan gelet op de soort dan wel de aard of omvang van te
verrichten handelingen;
- de noodzaak ontbreekt dat de te
verrichten handelingen worden verricht door tussenkomst van een
faunabeheereenheid;
- het gebied waar de handelingen
worden verricht niet is gelegen in een gebied waarover zich de zorg
van een faunabeheereenheid uitstrekt.
- Gedeputeerde staten maken besluiten
als bedoeld in het eerste en vierde lid bekend in de Staatscourant alsmede
in één of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op andere
geschikte wijze. Een afschrift van deze besluiten sturen zij aan Onze
Minister.
Artikel 69
- Een faunabeheereenheid waaraan een
ontheffing als bedoeld in artikel 68, eerste lid, is verleend, brengt
jaarlijks aan gedeputeerde staten verslag uit van de wijze waarop zij van
de ontheffing heeft gebruik gemaakt en van de uitvoering van het
faunabeheerplan.
- Het verslag wordt door gedeputeerde
staten voor een ieder ter inzage gelegd op het provinciehuis.
- Gedeputeerde staten doen mededeling
van de terinzagelegging in één of meer dag-, nieuws- of
huis-aan-huisbladen of op andere geschikte wijze.
Artikel 70
In afwijking van de artikelen 46, vijfde
lid, 67 en 68, neemt Onze Minister besluiten als bedoeld in die artikelen
voorzover het terreinen betreft waar het genot van de jacht berust bij de
Kroondrager.
Artikel 71
Gedeputeerde staten verschaffen Onze
Minister desgevraagd alle inlichtingen met betrekking tot het nemen van
besluiten als bedoeld in de artikelen 65, 67 en 68.
Artikel 72
- Bij algemene maatregel van bestuur
worden, voorzover noodzakelijk in afwijking van artikel 15, de middelen
aangewezen waarmee, met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de
artikelen 65 tot en met 70, dieren mogen worden gevangen of gedood. Als
middelen worden slechts aangewezen middelen die geen onnodig lijden van
dieren veroorzaken.
- Bij de maatregel, bedoeld in het
eerste lid, worden tevens de middelen aangewezen waarmede de zwarte rat,
de bruine rat en de huismuis mogen worden bestreden. Naast middelen als
bedoeld in het eerste lid zijn tevens toegelaten middelen die krachtens de
Bestrijdingsmiddelenwet 1962 zijn toegelaten.
- Bij de algemene maatregel van
bestuur, bedoeld in het eerste lid, worden regels gesteld met betrekking
tot het gebruik van de in het eerste en tweede lid bedoelde middelen. Deze
regels betreffen in ieder geval:
- de soorten waarop de middelen
betrekking hebben;
- de afmetingen van de gronden
waarop de middelen gebruikt mogen worden en
- de vaardigheden waarover bij
het gebruik van de middelen beschikt moet worden.
- Bij de algemene maatregel van
bestuur, bedoeld in het eerste lid, kan tevens worden bepaald dat het
gebruik van middelen afhankelijk kan worden gesteld van de toestemming
daartoe van gedeputeerde staten.
- Het is verboden dieren te vangen of
te doden met andere dan de in het eerste of tweede lid bedoelde middelen
of in strijd met de toestemming, bedoeld in het vierde lid of de regels
die op grond van het derde lid worden gesteld.
- Voorzover het bij of krachtens het
eerste tot en met het derde lid is toegestaan gebruik te maken van het
geweer, is het bepaalde in de artikelen 54 en 55 van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 73
Bij de bestrijding van schade en overlast
bij of krachtens de artikelen 65 tot en met 70 dan wel krachtens een
ontheffing als bedoeld in artikel 75, dient onnodig lijden van dieren te
worden voorkomen.
Artikel 74
- Het is verboden bij de uitoefening
van bevoegdheden toegekend bij of krachtens de artikelen 65 tot en met 70,
dieren te vangen of te doden:
- met een geweer of een
jachtvogel in een veld dat niet voldoet aan de krachtens artikel 49
gestelde eisen;
- op zondagen, de nieuwjaarsdag,
de tweede paas- en pinksterdag, de beide kerstdagen en hemelvaartsdag;
- op begraafplaatsen.
- Bij algemene maatregel van bestuur
kan de uitoefening van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden aan
andere beperkingen dan bepaald in het eerste lid, worden gebonden
voorzover dit noodzakelijk is ter uitvoering van internationale
verplichtingen of bindende besluiten van de Europese Unie of andere
volkenrechtelijke organisaties, of indien dit noodzakelijk is in verband
met de instandhouding van soorten of de veiligheid.
Artikel 75
- Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kan, voorzover niet bij of krachtens enig ander artikel van
deze wet vrijstelling is of kan worden verleend, vrijstelling worden
verleend van de bij of krachtens de artikelen 8 tot en met 18 bepaalde
verboden.
- Indien een vrijstelling als bedoeld
in het eerste lid strekt tot uitvoering van internationale verplichtingen
of bindende besluiten van organen van de Europese Unie of andere
volkenrechtelijke organisaties, kan de vrijstelling bij ministeriële
regeling worden verleend.
- Onze Minister kan, voorzover niet
overeenkomstig artikel 68 van deze wet door gedeputeerde staten ontheffing
is of kan worden verleend, ontheffing verlenen van het bepaalde bij of
krachtens de artikelen 8 tot en met 18, 50, 51, 52, 53, 58, 59, tweede
lid, 64, tweede lid, en 72, vijfde lid.
- Vrijstellingen en ontheffingen
worden, tenzij uitvoering van internationale verplichtingen of bindende
besluiten van organen van de Europese Unie of andere volkenrechtelijke
organisaties noodzaakt tot het verlenen van vrijstelling of ontheffing om
andere redenen, slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende
oplossing bestaat en indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige
staat van instandhouding van de soort:
- ten behoeve van onderzoek en
onderwijs, repopulatie en herintroductie, alsmede voor de daartoe
benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van
planten;
- teneinde het onder strikt
gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en
binnen bepaalde grenzen een bij algemene maatregel van bestuur te
bepalen aantal van bij die maatregel aan te wijzen soorten te vangen,
te plukken of in bezit te hebben of
- met het oog op andere, bij
algemene maatregel van bestuur aan te wijzen, belangen.
- Vrijstellingen kunnen in ieder
geval verschillend worden vastgesteld naar gelang de soorten of categorieën
van soorten en handelingen welke de vrijstelling betreffen. Voorts kan
onderscheid worden gemaakt naar wilde of gekweekte planten of producten
van die planten, en naar wilde of gefokte dieren dan wel eieren, nesten of
producten van die dieren.
Artikel 76
- Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld betreffende
vrijstellingen, ontheffingen of vergunningen, mede voorzover dit
noodzakelijk is ter uitvoering van internationale verplichtingen of
bindende besluiten van organen van de Europese Unie of andere
volkenrechtelijke organisaties.
- Tot deze regels kunnen behoren
regels omtrent:
- de documenten, gegevens of
bewijsstukken die bij het aanvragen van ontheffingen of vergunningen
of in verband met een vrijstelling dienen te worden verstrekt;
- de aanwijzing van de ambtenaren
aan wie de documenten waarvan zendingen van planten of producten van
planten of van dieren, eieren, nesten of producten van dieren
vergezeld gaan, dienen te worden getoond of ter hand gesteld;
- vakbekwaamheid ten aanzien van
het vervoeren, houden of verzorgen van planten of dieren;
- de wijze waarop en de
omstandigheden waaronder planten of dieren worden vervoerd of
gehouden;
- het aanbrengen van merken of
merktekens aan planten of producten van planten of van ringen of
merktekens aan dieren of aan producten van dieren;
- de registratie van planten,
producten van planten, dieren, eieren, nesten of producten van dieren.
Artikel 77
Bij algemene maatregel van bestuur kan
het aantal ontheffingen voor het onder zich hebben van jachtvogels alsmede het
aantal vogels per ontheffing, aan een maximum worden gebonden.
Artikel 78
Onze Minister kan een vergoeding van
kosten vragen overeenkomstig een door hem vast te stellen tarief voor de
afgifte van:
- ontheffingen als bedoeld in artikel
75;
- vergunningen als bedoeld in de
artikelen 62, eerste lid, en 63, vierde lid;
- op grond van vrijstellingen als
bedoeld in de artikelen 63 en 75 benodigde documenten, ringen, merken of
merktekens.
Artikel 79
- Aan vrijstellingen, ontheffingen of
vergunningen kunnen voorschriften worden verbonden. Zij kunnen onder
beperkingen worden verleend. De voorschriften en beperkingen kunnen worden
gewijzigd.
Vergunningen en ontheffingen kunnen worden ingetrokken.
- Het is verboden te handelen in
strijd met de bij een vrijstelling, ontheffing of vergunning gestelde
voorschriften en beperkingen.
- Vergunningen en ontheffingen kunnen
aan een geldigheidsduur worden gebonden.
Artikel 80
Een vergunning of ontheffing kan worden
ingetrokken indien:
- de houder van een vergunning of
ontheffing, nadat deze is verleend onherroepelijk is veroordeeld wegens
een bij deze wet strafbaar gesteld feit of indien hij vervolging deswege
heeft voorkomen overeenkomstig de bepalingen van artikel 74 van het
Wetboek van Strafrecht;
- de houder van een vergunning of
ontheffing, nadat deze is verleend, onherroepelijk is veroordeeld wegens
een feit strafbaar gesteld bij de Wet op de dierenbescherming dan wel de
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren voorzover het gedragingen als
bedoeld hoofdstuk III van die wet, betreft, of indien hij vervolging
deswege heeft voorkomen overeenkomstig de bepalingen van artikel 74 van
het Wetboek van Strafrecht;
- de houder van een vergunning of
ontheffing handelt in strijd met de hem verleende vergunning of ontheffing
of met daaraan verbonden voorschriften;
- de gegevens op grond waarvan de
vergunning of ontheffing is verleend zodanig onjuist blijken te zijn dat,
waren de juiste gegevens bekend geweest, een andere beslissing zou zijn
genomen of
- de omstandigheden sedert het
tijdstip waarop de vergunning of ontheffing is verleend zodanig zijn
gewijzigd, dat deze niet zouden zijn verleend indien deze omstandigheden
op het tijdstip waarop zij zijn verleend zouden hebben bestaan.
Artikel 81
- Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen, voorzover dit noodzakelijk is voor een goede
uitvoering van het bij of krachtens deze wet bepaalde, ter uitvoering van
internationale verplichtingen of bindende besluiten van organen van de
Europese Unie of andere volkenrechtelijke organisaties, nadere regels
worden gesteld ten aanzien van de in deze wet geregelde onderwerpen.
- Tot de regels, bedoeld in het
eerste lid, kunnen in ieder geval behoren:
- regels over het voeren van een
administratie en verstrekken van gegevens met betrekking tot het onder
zich hebben, ontvangen, verkopen, ten verkoop voorradig of voorhanden
hebben en afleveren van dieren of planten, behorende tot soorten
waarop deze wet van toepassing is, alsmede van producten van die
planten of producten of eieren van die dieren;
- het aanwijzen van adviseurs die
zijn belast met advisering over de uitvoering van het beleid ten
aanzien van vergunningen en ontheffingen;
- het aanwijzen van plaatsen waar
planten behorende tot beschermde inheemse of uitheemse plantensoorten
of dieren behorende tot beschermde inheemse of uitheemse diersoorten
alsmede producten van die planten of producten of eieren van die
dieren het grondgebied van Nederland dienen te worden binnengebracht;
- regels over voorzieningen voor
de opvang van levende dieren en planten.
Artikel 82
- Er is een Commissie bedreigde
uitheemse dier- en plantensoorten, verder te noemen commissie, die tot
taak heeft de regering en de beide kamers der Staten-Generaal te adviseren
over het beleid inzake de uitvoering van deze wet en de afstemming met de
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren en de totstandkoming en uitvoering
van besluiten van organen van de Europese Unie verband houdende met in het
wild levende dier- en plantensoorten.
- De commissie fungeert als
wetenschappelijke autoriteit als bedoeld in artikel IX van de op 3 maart
te Washington tot stand gekomen Overeenkomst inzake de internationale
handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantesoorten (Trb. 1975,
23).
- De commissie bestaat uit ten minste
vijf en ten hoogste negen leden, de voorzitter daaronder begrepen, die ook
deskundigheid bezitten op het gebied van natuurbescherming, welzijn van
dieren en de opvang van dieren.
Artikel 83
- Er is een Faunafonds, dat tot taak
heeft:
- het bevorderen van maatregelen
ter voorkoming en bestrijding van schade door dieren behorende tot bij
algemene maatregel van bestuur aangewezen soorten;
- het in de daarvoor in
aanmerking komende gevallen verlenen van tegemoetkomingen in geleden
schade, aangericht door dieren behorende tot beschermde inheemse
diersoorten;
- gedeputeerde staten van de
provincies van advies te dienen over de uitvoering van taken, hen bij
of krachtens deze wet opgedragen en
- Onze Minister van advies te
dienen over het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur als
bedoeld in artikel 65, eerste lid, en over het ontwerp van een
ministeriële regeling als bedoeld in de artikelen 65, derde lid, en
67, eerste lid.
- Het Faunafonds tracht de in het
eerste lid omschreven doelen te bereiken door het ter hand nemen of
bevorderen van wetenschappelijk onderzoek, het bevorderen van voorlichting
en opleiding en door het treffen van andere maatregelen, die voor de
verwezenlijking van de in het eerste lid omschreven doelen van belang
kunnen zijn.
- Het Faunafonds bezit
rechtspersoonlijkheid en heeft zijn zetel te 's-Gravenhage.
Artikel 84
- Een tegemoetkoming als bedoeld in
artikel 83, eerste lid, onderdeel b, wordt slechts verleend voorzover een
belanghebbende schade lijdt of zal lijden aangericht door dieren,
behorende tot een beschermde inheemse diersoort, en die schade
redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven. Een
tegemoetkoming wordt naar billijkheid bepaald.
- Bij ministeriële regeling kunnen,
in overeenstemming met gedeputeerde staten van de provincies, regels
worden gesteld met inachtneming waarvan het Faunafonds beslist over een
aanvraag voor een tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 85
- Het bestuur van het Faunafonds
bestaat uit negen leden, waaronder de voorzitter.
- De leden van het bestuur hebben op
persoonlijke titel zitting in het bestuur en oefenen hun functie uit
zonder last of ruggespraak.
- De leden bezitten deskundigheid op
het gebied van jacht, landbouw, natuurbescherming en dierenwelzijn.
Artikel 86
- Onze Minister benoemt in
overeenstemming met gedeputeerde staten van de provincies de leden van het
bestuur.
- Het bestuur bestaat uit ten minste
zes leden die naar evenredigheid afkomstig zijn uit de kringen van de
jacht, de landbouw en de natuurbescherming en die in het bijzonder
deskundig zijn ten aanzien van het beheer van soorten en de bestrijding
van schade, alsmede uit één lid uit de kringen van de wetenschap met
deskundigheid ten aanzien van dieroecologie en één lid uit de kringen
van de dierenbescherming met deskundigheid ten aanzien van dierenwelzijn.
- Onze Minister en gedeputeerde
staten van de provincies gezamenlijk kunnen ieder één adviseur benoemen
die de vergaderingen van het bestuur van het Faunafonds kan bijwonen.
Artikel 87
- De leden van het bestuur worden
benoemd voor een periode van vier jaren. Zij kunnen eenmaal worden
herbenoemd.
- De leden van het bestuur worden op
eigen verzoek ontslagen door Onze Minister in overeenstemming met
gedeputeerde staten van de provincies. Zij kunnen voorts worden geschorst
of ontslagen wegens ongeschiktheid, onbekwaamheid of op andere
zwaarwegende gronden.
- Degene die wordt benoemd in de
plaats van een lid van wie de zittingsperiode van vier jaren nog niet is
verstreken, wordt benoemd tot het einde van die periode.
- Onze Minister kent aan de leden van
het bestuur een vergoeding toe volgens door hem in overeenstemming met
gedeputeerde staten van de provincies te stellen regels.
Artikel 88
- Het Faunafonds stelt een
bestuursreglement vast.
- Het bestuursreglement voorziet in
ieder geval in een regeling van de openbaarheid van de vergaderingen van
het Faunafonds.
- Het bestuursreglement behoeft de
goedkeuring van Onze Minister en gedeputeerde staten van de provincies.
Artikel 89
Aan de voorafgaande goedkeuring van Onze
Minister zijn onderworpen besluiten van het Faunafonds tot:
- het doen van investeringen;
- het verwerven van onroerende zaken;
- het sluiten van huur- en
lease-overeenkomsten;
- het oprichten of mede-oprichten dan
wel ontbinden van privaatrechtelijke rechtspersonen of het deelnemen in
een vennootschap.
Artikel 90
- Het Faunafonds stelt voor 1
september een begroting vast voor het volgende boekjaar.
- De begroting behoeft de goedkeuring
van Onze Minister en gedeputeerde staten van de provincies.
Artikel 91
- Het Faunafonds brengt jaarlijks aan
Onze Minister en gedeputeerde staten van de provincies voor 1 mei een
financieel verslag uit dat vergezeld gaat van een verklaring omtrent de
getrouwheid en rechtmatigheid, afgegeven door een accountant als bedoeld
in artikel 393 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
- Het Faunafonds stelt de in het
eerste lid bedoelde stukken algemeen verkrijgbaar.
- Onze Minister zendt de stukken,
bedoeld in het eerste lid, in afschrift aan de beide kamers der
Staten-Generaal.
Artikel 92
Onze Minister kan, in overeenstemming met
gedeputeerde staten van de provincies, regels stellen over de inrichting van
de begroting, het financieel verslag en aandachtspunten voor de
accountantscontrole.
Artikel 93
- Het Faunafonds stelt jaarlijks voor
1 mei een verslag op van de werkzaamheden, het gevoerde beleid in het
algemeen en de doelmatigheid en doeltreffendheid van zijn werkzaamheden en
werkwijze in het bijzonder in het afgelopen kalenderjaar. Het verslag
wordt aan Onze Minister en aan gedeputeerde staten van de provincies
toegezonden.
- Het Faunafonds stelt het in het
eerste lid bedoelde verslag algemeen verkrijgbaar.
- Onze Minister zendt het verslag,
bedoeld in het eerste lid, in afschrift aan de beide kamers der
Staten-Generaal.
Artikel 94
- Ten behoeve van het Faunafonds
wordt van hen aan wie een jachtakte, valkeniersakte of kooikersakte wordt
uitgereikt, een door Onze Minister, het Faunafonds gehoord, vastgestelde
bijdrage geheven. Zij geldt voor het tijdvak waarvoor de betreffende akte
is verleend.
- De bijdrage kan verschillend zijn
per soort akte die wordt uitgereikt.
- De bijdrage dient te worden voldaan
aan Onze Minister.
- Uitreiking van de akte vindt niet
plaats alvorens de bijdrage is voldaan.
Artikel 95
De ingevolge artikel 94 ontvangen
bijdragen worden met inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te
stellen regels verantwoord aan en ter beschikking gesteld van het Faunafonds.
Artikel 96
- Onze Minister verleent een bijdrage
ten behoeve van het Faunafonds.
- Ten behoeve van het Faunafonds
verlenen gedeputeerde staten van de provincies een bijdrage volgens
regels, gesteld bij algemene maatregel van bestuur.
- De bijdrage, bedoeld in het eerste
lid, strekt tot vergoeding van de kosten van het Faunafonds voorzover de
bijdrage van gedeputeerde staten van de provincies, bedoeld in het tweede
lid, daarop geen betrekking heeft.
Artikel 97
Het Faunafonds verstrekt desgevraagd aan
Onze Minister of aan gedeputeerde staten de voor de uitoefening van hun taak
benodigde inlichtingen. Onze Minister en gedeputeerde staten kunnen inzage
vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voorzover dat voor de
vervulling van hun taak redelijkerwijs nodig is.
Artikel 98
Indien het Faunafonds zijn taken,
voortvloeiend uit artikel 83, naar het oordeel van Onze Minister of
gedeputeerde staten van de provincies verwaarloost, kan Onze Minister, na
overleg met gedeputeerde staten van de provincies, de noodzakelijke
voorzieningen treffen.
Artikel 99
Voorzover in dit hoofdstuk is voorzien in
besluiten van Onze Minister en gedeputeerde staten van de provincies, neemt
Onze Minister die besluiten indien niet binnen drie maanden overeenstemming is
bereikt over gelijkluidende besluiten.
Artikel 100
- Onze Minister voegt aan het
Faunafonds een secretariaat toe ten behoeve van de werkzaamheden van het
bestuur.
- De leden van het secretariaat zijn
voor de uitoefening van hun taak uitsluitend verantwoording schuldig aan
het bestuur van het Faunafonds.
Artikel 101
- Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kan ter uitvoering van het bepaalde bij of krachtens deze wet
medewerking worden gevorderd van het bestuur van een productschap of een
bedrijfschap.
- Indien de van het bestuur van een
productschap of een bedrijfschap gevorderde medewerking bestaat uit het
stellen van nadere regels bij verordening, behoeft zodanige verordening de
goedkeuring van Onze Minister.
- Bij de goedkeuring van een
verordening als bedoeld in het tweede lid, kan worden bepaald dat
krachtens die verordening vast te stellen nadere regels eveneens zodanige
goedkeuring behoeven.
- Verordeningen als bedoeld in het
tweede lid, kunnen onder meer inhouden toekenning aan een daarbij aan te
wijzen orgaan van de bevoegdheid vergunning voor, onderscheidenlijk
vrijstelling, en, op aanvrage, ontheffing van de verordeningen of
krachtens deze vast te stellen regels te verlenen.
Artikel 102
- Onze Minister kan door hem erkende
rechtspersoonlijkheid bezittende organisaties belasten met de taak
overeenkomstig door hem gestelde regels ringen of merktekens uit te reiken
ten behoeve van het onder zich hebben van jachtvogels of van beschermde
inheemse diersoorten.
- Een organisatie als bedoeld in het
eerste lid, kan voor het verstrekken van ringen of merktekens een
vergoeding van kosten vragen waarvan de hoogte door Onze Minister wordt
vastgesteld.
Artikel 103
Een krachtens de artikelen 15, 30, tweede
lid, 37, derde lid, 48, 49, 50, tweede lid, 65, eerste lid, 68, eerste lid,
onderdeel e, 72, eerste lid, 75, eerste en vierde lid, onderdeel c, vast te
stellen algemene maatregel van bestuur treedt niet eerder in werking dan acht
weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van
de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide kamers der
Staten-Generaal.
Paragraaf 1. Toezicht
Artikel 104
- Met het toezicht op de naleving van
het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn belast de bij besluit van Onze
Minister aangewezen ambtenaren, de bij besluit van gedeputeerde staten
aangewezen ambtenaren, alsmede de ambtenaren der invoerrechten en
accijnzen en de door Onze Minister van Justitie op grond van artikel 17
van de Wet op de economische delicten met de opsporing van de bij of
krachtens deze wet strafbaar gestelde feiten belaste ambtenaren.
- Van een besluit van Onze Minister,
bedoeld in het eerste lid, wordt mededeling gedaan door plaatsing in de
Staatscourant.
Artikel 105
- Bij de uitoefening van hun taak
dragen de toezichthoudende ambtenaren een legitimatiebewijs bij zich.
- Zij tonen hun legitimatiebewijs
desgevraagd aanstonds, tenzij het met het toezicht beoogde doel daardoor
niet zou worden bereikt. In het laatste geval tonen zij hun
legitimatiebewijs zodra dat redelijkerwijs mogelijk is.
- Het legitimatiebewijs bevat in
ieder geval een foto van de toezichthoudende ambtenaar en vermeldt diens
naam en hoedanigheid.
Artikel 106
- De toezichthoudende ambtenaren
hebben, voorzover dat voor de vervulling van hun taak redelijkerwijs nodig
is, toegang tot elke plaats met uitzondering van woningen. Zo nodig
verschaffen zij zich toegang met behulp van de sterke arm.
- Zij kunnen zich door anderen doen
vergezellen, voorzover dit voor het doel van het betreden redelijkerwijs
nodig is.
Artikel 107
De toezichthoudende ambtenaren zijn
bevoegd inlichtingen te verlangen, voorzover dat voor de vervulling van hun
taak redelijkerwijs nodig is.
Artikel 108
- De toezichthoudende ambtenaren zijn
bevoegd inzage te verlangen van zakelijke gegevens en bescheiden waarvan
de inzage voor de vervulling van hun taak redelijkerwijs nodig is.
- Zij zijn bevoegd van de gegevens en
bescheiden kopieën te maken.
- Indien het maken van kopieën niet
ter plaatse kan geschieden, zijn zij bevoegd de gegevens en bescheiden
voor dat doel voor korte tijd mee te nemen tegen een door hen af te geven
schriftelijk bewijs.
Artikel 109
- De toezichthoudende ambtenaren zijn
bevoegd zaken te onderzoeken, aan opneming te onderwerpen en daarvan
monsters te nemen, voorzover dat voor de vervulling van hun taak
redelijkerwijs nodig is.
- Zij zijn bevoegd daartoe
verpakkingen te openen.
- Indien het onderzoek, de opneming
of de monsterneming niet ter plaatse kan geschieden, zijn zij bevoegd de
zaken voor dat doel voor korte tijd mee te nemen tegen een door hen af te
geven schriftelijk bewijs.
- Desgevraagd worden genomen monsters
teruggegeven, voorzover en zodra dat mogelijk is.
Artikel 110
- De toezichthoudende ambtenaren zijn
bevoegd vervoermiddelen te onderzoeken met betrekking waartoe zij een
toezichthoudende taak hebben, voorzover dat voor de vervulling van hun
taak nodig is.
- Zij zijn bevoegd vervoermiddelen
waarmee naar hun redelijk oordeel zaken worden vervoerd met betrekking
waartoe zij een toezichthoudende taak hebben, op hun lading te
onderzoeken, voorzover dat voor de vervulling van hun taak redelijkerwijs
nodig is.
- Zij zijn bevoegd met het oog op de
uitoefening van deze bevoegdheden van de bestuurder te vorderen dat deze
zijn vervoermiddel stilhoudt en naar een door hen aangewezen plaats
overbrengt, voorzover dat voor de vervulling van hun taak redelijkerwijs
nodig is.
- Bij regeling van Onze Minister van
Justitie wordt bepaald op welke wijze de vordering tot stilhouden wordt
gedaan.
Artikel 111
- Een ieder is verplicht aan
toezichthoudende ambtenaren alle medewerking te verlenen die deze
redelijkerwijs nodig hebben bij de uitoefening van hun bevoegdheden.
- Zij die uit hoofde van ambt, beroep
of wettelijk voorschrift verplicht zijn tot geheimhouding, kunnen het
verlenen van medewerking weigeren, voorzover hun geheimhoudingsplicht zich
daartoe uitstrekt.
Paragraaf 2. Straf- en dwangbepalingen
Artikel 112
- Onverminderd het bepaalde in
artikel 117 van het Wetboek van Strafvordering kan Onze Minister bepalen,
dat inbeslaggenomen planten of dieren of producten van planten of dieren
die in strijd met het bepaalde bij of krachtens deze wet binnen het
grondgebied van Nederland zijn gebracht, op kosten van de eigenaar,
vervoerder, importeur of diens gemachtigde, worden teruggezonden naar het
land van uitvoer of herkomst of naar enige andere plaats buiten Nederland
worden gebracht die daarvoor naar het oordeel van Onze Minister geschikt
is en in overeenstemming is met de doeleinden van de Overeenkomst inzake
de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en
plantesoorten.
- Onverminderd het bepaalde in het
eerste lid kan Onze Minister bepalen dat levende dieren, behorend tot een
beschermde inheemse diersoort, waarvan kan worden aangenomen dat zij zich
in de natuur kunnen handhaven en die in strijd met het bepaalde bij of
krachtens deze wet worden gehouden, op kosten van de eigenaar of van
degene die deze dieren onder zich heeft, in hun natuurlijke leefomgeving
in vrijheid worden gesteld.
- Onder de in het eerste en tweede
lid bedoelde kosten kunnen mede zijn begrepen de kosten van bewaring in
verband met het transport naar de plaats van bestemming.
- Indien niet tot terugzending of tot
invrijheidstelling in de natuurlijke leefomgeving als bedoeld in het
eerste onderscheidenlijk tweede lid wordt besloten, kunnen de kosten van
verzorging, huisvesting of opslag binnen Nederland geheel of gedeeltelijk
in rekening worden gebracht bij de eigenaar, vervoerder, importeur of
diens gemachtigde, bedoeld in het eerste lid. Bij ministeriële regeling
kunnen terzake nadere regels worden gesteld.
Artikel 113
- Hetgeen krachtens het voorgaande
artikel verschuldigd is, kan, verhoogd met de kosten vallende op de
invordering, door de Staat worden ingevorderd bij dwangbevel medebrengende
het recht van parate executie.
- Geen invordering geschiedt dan
nadat de schuldenaar schriftelijk is aangemaand om binnen de daarbij te
stellen termijn van ten minste tien dagen alsnog aan zijn verplichtingen
te voldoen. De aanmaning bevat de aanzegging, dat het verschuldigde
bedrag, voorzover dit binnen de gestelde termijn niet wordt betaald,
overeenkomstig het eerste lid van dit Artikel zal worden ingevorderd.
- Het dwangbevel wordt betekend en
ten uitvoer gelegd op de wijze, bij het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering ten aanzien van vonnissen en authentieke akten
voorgeschreven.
- Verzet door de schuldenaar tegen de
tenuitvoerlegging van een dwangbevel wordt ingesteld door dagvaarding van
de Staat, voor de rechtbank van het arrondissement waarbinnen zijn
woonplaats is gelegen.
- Het verzet stuit de aanvang of de
voortzetting van de tenuitvoerlegging niet, behoudens de bevoegdheid van
de geëxecuteerde die het verzet heeft gedaan, om hieromtrent een
voorziening bij voorraad uit te lokken.
Paragraaf 1. Overgangsbepalingen
Artikel 114
- Vergunningen en ontheffingen
verleend krachtens de Vogelwet 1936, de Jachtwet, artikel 25 van de
Natuurbeschermingswet of de Wet bedreigde uitheemse dier- en
plantensoorten blijven van kracht voor de tijd dat zij zijn verleend.
- Op vergunningen en ontheffingen als
bedoeld in het eerste lid is het bepaalde in artikel 80 van toepassing.
Artikel 115
Ten aanzien van degene aan wie voor het
tijdstip van inwerkingtreding van de artikelen 38 tot en met 44 te rekenen
vanaf 1 januari 1977 in enig jaar een jachtakte als bedoeld in de Jachtwet,
dan wel een vergunning als bedoeld in artikel 11 van de Vogelwet 1936 inzake
haviken of slechtvalken is uitgereikt, is het bepaalde in artikel 39, eerste
lid, onderdeel c, niet van toepassing.
Artikel 116
Ten aanzien van degene aan wie voor het
tijdstip van inwerkingtreding van artikel 62, op grond van artikel 15 van de
Vogelwet 1936 vergunning is verleend, ten behoeve van het prepareren van
beschermde vogels, is het bepaalde in artikel 62, tweede lid, niet van
toepassing.
Artikel 117
Indien het bij koninklijke boodschap van
14 januari 1994 ingediende voorstel van wet, houdende nieuwe regelen ter
bescherming van natuur en landschap, kracht van wet heeft gekregen en in
werking is getreden, komt, onder vermelding achter het woord
"Natuurbeschermingswet" van het jaartal van het Staatsblad waarin
die wet wordt geplaatst, artikel 19, tweede lid, te luiden:
- Een plaats als bedoeld in het
eerste lid, kan niet worden aangewezen als beschermde leefomgeving, indien
die gelegen is in een krachtens de Natuurbeschermingswet aangewezen
beschermd natuurmonument dan wel in een gebied ten aanzien waarvan een
besluit tot aanwijzing als beschermd natuurmonument wordt voorbereid.
Artikel 118
Indien het bij koninklijke boodschap van
14 januari 1994 ingediende voorstel van wet, houdende nieuwe regelen ter
bescherming van natuur en landschap, kracht van wet heeft gekregen en in
werking is getreden, komt, onder vermelding achter het woord
"Natuurbeschermingswet" van het jaartal van het Staatsblad waarin
die wet wordt geplaatst, artikel 25, derde lid, te luiden:
- Een besluit houdende de aanwijzing
van een plaats als beschermde leefomgeving vervalt met ingang van het
tijdstip waarop die plaats deel uitmaakt van een onherroepelijk aangewezen
beschermd natuurmonument als bedoeld in de Natuurbeschermingswet.
Artikel 119
Indien het bij koninklijke boodschap van
14 januari 1994 ingediende voorstel van wet, houdende nieuwe regelen ter
bescherming van natuur en landschap, kracht van wet heeft gekregen en in
werking is getreden, komt, onder vermelding achter het woord
"Natuurbeschermingswet" van het jaartal van het Staatsblad waarin
die wet wordt geplaatst, artikel 46, derde lid, onderdeel a, te luiden:
- gebieden die in het kader van de
Natuurbeschermingswet zijn aangewezen als beschermd natuurmonument, dan
wel gebieden ten aanzien waarvan een besluit tot aanwijzing als beschermd
natuurmonument wordt voorbereid;.
Paragraaf 2. Slotbepalingen
Artikel 120
De Wet op de economische delicten 1 wordt
als volgt gewijzigd:
- In artikel la, onder 1, vervalt de
zinsnede betreffende de Wet bedreigde uitheemse dier- en plantensoorten en
wordt in de opsomming ingevoegd: de Flora- en faunawet, artikel 13, eerste
lid.
- In artikel la, onder 2, vervalt de
zinsnede betreffende de Vogelwet 1936 en wordt in de opsomming ingevoegd:
de Flora- en faunawet, de artikelen 8, 9, 11, 12, 14, eerste, tweede en
derde lid, 15, eerste en tweede lid, 17, 18, eerste lid, 26, derde en
vijfde lid, 47 en 73.
- Indien de artikelen 16, eerste en
vierde lid, 17, vierde lid, 21, tweede lid, 22, tweede lid, 56, eerste
lid, 58, eerste lid, en 66 van het bij koninklijke boodschap van 14
januari 1994 ingediende voorstel van wet, houdende nieuwe regelen ter
bescherming van natuur en landschap, op de datum van inwerkingtreding van
de artikelen 8 tot en met 11, 13, 62 en 63 van deze wet nog niet in
werking zijn getreden, komt de zinsnede in artikel Ia, onder 2,
betreffende de Natuurbeschermingswet te luiden: de Natuurbeschermingswet,
de artikelen 12, eerste lid, 14, derde lid, 16, eerste lid, 31, eerste
lid, en 33a, eerste lid.
- Indien de artikelen 16, eerste en
vierde lid, 17, vierde lid, 21, tweede lid, 22, tweede lid, 56, eerste
lid, 58, eerste lid, en 66 van het bij koninklijke boodschap van 14
januari 1994 ingediende voorstel van wet, houdende nieuwe regelen ter
bescherming van natuur en landschap, vóór of op de datum van
inwerkingtreding van de artikelen 8 tot en met 11, 13, 62 en 63 van deze
wet in werking zijn getreden, vervalt in artikel la, onder 2, de zinsnede
betreffende de Natuurbeschermingswet.
- In artikel la, onder 3, wordt in de
opsomming ingevoegd: de Flora- en faunawet, de artikelen 10, 16, 37,
eerste en tweede lid, 38, eerste lid, 50, eerste, tweede en derde lid, 51,
52, 53, 54, eerste lid, 58, 59, tweede lid, 60, vijfde lid, 62, eerste
lid, 63, eerste lid, 64, tweede lid, 67, zesde lid, 72, vijfde lid, 74,
eerste lid, 79, tweede lid, 81, eerste lid, en 111, eerste lid.
Artikel 121
In artikel 26, tweede lid, onderdeel b,
van de Wet wapens en munitie 2 wordt "de Jachtwet" vervangen door:
de Flora- en faunawet.
Artikel 122
De Wet milieubeheer 3 wordt als volgt
gewijzigd:
Aan de Bijlage bij de Wet milieubeheer wordt toegevoegd: Flora- en faunawet.
Artikel 123
- De artikelen van de Vogelwet 1936,
de Jachtwet en de Wet bedreigde uitheemse dier- en plantensoorten
vervallen op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de
verschillende artikelen van genoemde wetten, of onderdelen daarvan,
verschillend kan worden gesteld.
- De artikelen 22 tot en met 25 van
de Natuurbeschermingswet vervallen op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen
daarvan verschillend kan worden gesteld.
- De Vogelwet 1936, de Jachtwet, de
Nuttige Dierenwet 1914 en de Wet bedreigde uitheemse dier- en
plantensoorten worden ingetrokken op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip, dat voor de verschillende wetten verschillend kan worden
gesteld.
- Ten aanzien van zaken betreffende
overtredingen van ingevolge de voorafgaande leden vervallen
onderscheidenlijk ingetrokken voorschriften die op het tijdstip van
vervallen onderscheidenlijk intrekking bij de tot dat tijdstip bevoegde
rechter aanhangig waren, blijft deze rechter bevoegd.
- De in het vierde lid bedoelde zaken
worden onverminderd artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht,
afgedaan volgens op het in het derde lid bedoelde tijdstip geldende
regels.
Artikel 124
- Voorzover afdeling 5.2 van de Wet
van 20 juni 1996 tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht (derde
tranche Algemene wet bestuursrecht) in werking is getreden voor de datum
van inwerkingtreding van dit artikel, vervallen de artikelen 105 tot en
met 111 van deze wet.
- Voorzover de in het eerste lid
bedoelde afdeling 5.2 in werking treedt op een datum gelegen na de
inwerkingtreding van dit artikel, vervallen de artikelen 105 tot en met
111 van deze wet met ingang van de dag waarop voornoemde afdeling in
werking treedt.
Artikel 125
Onze Minister zendt binnen vijf jaar na
de inwerkingtreding van deze wet, en vervolgens telkens na vier jaar, aan de
beide kamers der Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de
effecten van deze wet in de praktijk.
Artikel 126
De artikelen van deze wet treden in
werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de
verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.
Artikel 127
Deze wet kan worden aangehaald als:
Flora- en faunawet. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie
zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 25 mei 1998
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer
en Visserij,
J. J. van Aartsen
Gepubliceerd: door het
Staatsblad 402, 14 juli 1998. Overgenomen van de internetsite van het
ministerie van Landbouw Natuurbeheer en Visserij.
|
|